Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15593

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 6 februari 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 25 augustus 2025 om 15:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 15 september 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor het jaar 2010. Voor het jaar 2011 is geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 en 2011.
  • UHT heeft bij beschikking van 23 januari 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 3 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies vermeld dat in toeslagjaar 2010 sprake is geweest van hardheid en in toeslagjaar 2011 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij recht heeft op compensatie voor het jaar 2010 en dat zij geen recht heeft op compensatie voor het jaar 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 9 december 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 19 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 25 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Verzoek om volledig dossier
De Commissie stelt vast dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting van het bestuursorgaan om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking en de gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in hetgeen wat over naar voren is gebracht geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit.

Component o (rentevergoeding gemiste KOT)
UHT heeft in haar beschouwing uitgelegd hoe de rentevergoeding gemiste KOT (component o) over het toeslagjaar 2010 is berekend. In dit geval is component o onjuist vastgesteld. Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft de verkeerde data gehanteerd in haar berekening. De startdatum behoort te zijn 1 juli van het opvolgende berekeningsjaar, dus in dit geval 1 juli 2011. De einddatum behoort te zijn de datum van de primaire beschikking, dus in dit geval 6 februari 2023. Bij gebruik van de juiste data bedraagt component o afgerond naar boven € 2.655,-. Dit blijkt uit de berekening component o in het dossier (productie 2700002). Belanghebbende is echter een bedrag van € 2.733,- toegekend. UHT is voornemens de berekening van deze component in stand te laten, omdat belanghebbende door het bezwaar niet in slechtere positie mag komen, (het verbod van reformatio in peius). De Commissie volgt UHT hierin en adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Rentevergoeding in het kader van de eerste toets
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat er ten onrechte geen wettelijke rente is berekend over het compensatiebedrag van €30.000,-. Dit bedrag had zij niet op 23 januari 2023 moeten krijgen, maar al eerder in het kader van de zogenaamde eerste toets. UHT heeft toegelicht dat zij in haar beschouwing geen aandacht heeft besteed aan dit onderwerp, omdat de berekening van de wettelijke rente geen onderdeel uitmaakt van de compensatieberekening. Die berekening wordt achteraf uitgevoerd en opgenomen in de beslissing op bezwaar. De Commissie volgt UHT hierin en adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Redelijke termijn
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de redelijke termijn voor afdoening van de bezwaarprocedure is overschreden. De Commissie overweegt daartoe als volgt. Bij uitspraak van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188) heeft de grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over de redelijke termijn die als uitgangspunt geldt voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaar-procedure en twee rechterlijke instanties. Per de datum van die uitspraak is deze termijn uniform bepaald op vier jaar. Hierbij staat zowel voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen als die voor het hoger beroep een termijn van twee jaar. Wordt deze overschreden, dan moet de overheid € 500 aan immateriële schadevergoeding betalen voor ieder half jaar overschrijding. Voor de bezwaarfase bij het bestuursorgaan wordt daarbij uitgegaan van een termijn van een half jaar, voor de procedure bij de rechtbank van anderhalf jaar. Omdat de grondslag van de vergoeding van immateriële schade (VIS) wordt gevormd door een artikel 6 EVRM conforme uitleg van het nationale recht (en die verdragsbepaling ziet op behandeling binnen een redelijke termijn door “een onafhankelijk en onpartijdig gerecht”) kan in principe geen schadevergoeding worden toegekend als de procedure is geëindigd voordat een rechter daarbij betrokken is geweest.
Er bestaat in de bezwaarfase dus strikt genomen geen verplichting om een VIS toe te kennen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Geen proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek voor een proceskosten-vergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter