BAC 2025-15586
Publicatiedatum 06-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 7 november 2023 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 12 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, de bestreden beschikking in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, gedateerd
7 november 2023. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.750 voor de toeslagjaren 2008, januari tot en met september 2009 en 2010, een tegemoetkoming voor opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend voor een bedrag van € 5.160 voor de maanden oktober tot en met december 2009 en de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014 en geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 25 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2008 tot en met 2014.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies vermeld dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat gedurende de maanden oktober tot en met december 2009 en de toeslagjaren 2011 tot en met 2014 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.750 voor de toeslagjaren 2008, januari tot en met september 2009 en 2010, een O/GS-tegemoetkoming voor een bedrag van € 5.160 voor de maanden oktober tot en met december 2009 en de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014 en geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2011.
- Belanghebbende heeft bij brief van 7 december 2023, ingekomen op
7 december 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. - De gemachtigde heeft zich bij brief van 31 juli 2024, ingekomen op 6 augustus 2024, gesteld als advocaat van belanghebbende.
- UHT heeft op 3 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Belanghebbende en UHT hebben afgezien van een hoorzitting en zijn ermee akkoord gegaan dat de Commissie in deze zaak een advies uitbrengt op grond van de stukken.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2008, de maanden januari tot en met september 2009 en 2010 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de maanden oktober tot en met december 2009 en de toeslagjaren 2011 tot en met 2014 af te wijzen.
Oktober tot en met december 2009
Ingevolge artikel 2.1 lid 1 van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in de maanden oktober tot en met december 2009, nu belanghebbende in die periode geen gebruik heeft gemaakt van gekwalificeerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt vervolgens niet bestreden. Uit de destijds ingediende jaaropgave volgt dat alleen in de maanden januari tot en met september 2009 kinderopvang is afgenomen. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen concluderen dat belanghebbende in de maanden oktober tot en met december 2009 wel gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen. Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie ziet geen aanknopingspunten om te adviseren dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de maanden oktober tot en met december 2009 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2011 tot en met 2014
De Commissie is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2011 tot en met 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De verlagingen van de KOT over de toeslagjaren 2011 tot en met 2014 vloeiden voort uit te hoge voorschotten, die op basis van reguliere wijzigingen opnieuw zijn berekend. De verlaging van de KOT over het toeslagjaar 2011 was het gevolg van een door belanghebbende doorgegeven wijziging dat de gemeente of het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) meebetaalde aan de kosten van de kinderopvang. De verlagingen van de KOT over het toeslagjaar 2012 waren het gevolg van de stopzetting van de KOT door belanghebbende en de beschikbare gegevens in de KOI-viewer. De KOT over het toeslagjaar 2013 is verlaagd, omdat belanghebbende niet heeft gereageerd op de verzoeken om informatie.
Uit de gegevens van de kinderopvanginstelling volgt dat in dit jaar geen kinderopvang is afgenomen. Met betrekking tot het toeslagjaar 2014 is de KOT door belanghebbende per 4 januari 2013 stopgezet. Uit de gegevens van de kinderopvanginstelling volgt niet dat in dit jaar nog kinderopvang is afgenomen. De bijstellingen over de toeslagjaren 2011 tot en met 2014 zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
In de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014 was er een onterechte kwalificatie O/GS, waarvoor reeds een tegemoetkoming is toegekend. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening
Belanghebbende stelt, op zichzelf terecht, dat het compensatiebedrag op onjuiste wijze is berekend. Component f, het verschil met de laatst vastgestelde beschikking KOT inclusief de aan belanghebbende toeslagrente, is voor het toeslagjaar 2010 onjuist vastgesteld.
Het bedrag zal niet worden aangepast, omdat dit in het nadeel van belanghebbende zou zijn. Daarnaast zijn de start- en de einddatum van de periode waarover de vergoeding voor immateriële schade is berekend onjuist vastgesteld. Het gebruik van de juiste start-en einddatum leidt echter niet tot een hogere vergoeding voor immateriële schade. Het aantal halve jaren waarover de vergoeding wordt berekend verandert immers niet. De Commissie constateert daarnaast dat de rentevergoeding over gemiste KOT voor het toeslagjaar 2008, de maanden januari tot en met september 2009 en het jaar 2010 onjuist is berekend. Bij de berekening van deze vergoeding is van onjuiste start- en einddata uitgegaan. De Commissie adviseert UHT deze niet aan te passen, omdat dit in het nadeel van belanghebbende zou zijn. In het aangevoerde bezwaar op dit punt ziet de Commissie dan ook geen aanleiding om UHT te adviseren de bestreden beschikking te herroepen en de einddatum van de periode waarover de vergoeding voor immateriële schade wordt berekend, tot aan de datum van de beslissing op bezwaar te laten doorlopen.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, bestaat geen grond voor een vergoeding van de proceskosten.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om:
- de bestreden beschikking in stand te laten;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter