BAC 2025-15579
Publicatiedatum 21-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 14 mei 2024 (UHT-HD CWS)
Hoorzitting: 8 december 2025
Overdracht advies aan UHT: 12 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bestreden besluit op onderdelen te herroepen, de aanvullende schadevergoeding opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding van 14 mei 2024, na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een aanvullende schadevergoeding toegekend voor een bedrag van €18.811,-.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 april 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015, 2017 en 2018
- UHT heeft bij besluit van 8 mei 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-, in het kader van de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 25.059,-.
- UHT heeft bij het besluit van 4 april 2022 (UHT-DC I) aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 27.586,- over de toeslagjaren 2015, 2017 en 2018. UHT heeft bij het besluit van 4 april 2022 (UHT-DC-I A) aan belanghebbende meegedeeld dat zij over de toeslagjaren 2016 en 2019 geen compensatie krijgt.
- Belanghebbende heeft op 10 juni 2022 verzocht om een aanvullende schadevergoeding voor de werkelijke schade.
- De CWS heeft op 26 april 2024 geadviseerd om aan belanghebbende een aanvullende vergoeding toe te kennen.
- UHT heeft het advies van de CWS gevolgd en bij het bestreden besluit aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 18.811,-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 31 mei 2024, ingekomen op 4 juni 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 september 2024, ingekomen op 1 oktober 2024, het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 27 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 8 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Toetsingskader
In het kader van de hersteloperatie KOT biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1 lid 3 Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate er werkelijk aanvullende schade is en ii) dat die schade het gevolg is van de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T), waarvoor de ouder al gecompenseerd is.
Na haar beoordeling of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, brengt de CWS haar advies daarover uit aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van de CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarvan begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit volgt uit artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van de CWS, als het advies zelf de toereikende motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van de CWS, maar dit moet zij dan goed onderbouwen.
In een bezwaarprocedure als deze beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de hier bedoelde ‘vergewisplicht’. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. Als UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van de CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden. Omdat de beslissing op het verzoek om aanvullende compensatie in overeenstemming moet zijn met het civiele schadevergoedingsrecht, houdt de vergewisplicht in dat de Commissie voor haar advisering zelfstandig onderzoekt of de CWS en in haar voetspoor UHT een juiste toepassing hebben gegeven aan de regels van dat schadevergoedingsrecht. De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT in dit geval op goede gronden het advies van de CWS heeft gevolgd.
Reiskosten
De Commissie onderschrijft de conclusie van de CWS dat belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van reiskosten in verband met de opvang van haar kinderen en het daarna ophalen van de kinderen bij familie. Het gaat hierbij om reiskosten in verband met reguliere opvang, zoals deze ook al werden gemaakt voor het begin van de kinderopvangtoeslagproblemen voor belanghebbende in januari 2017. Uit het verhaal van belanghebbende volgt namelijk dat de opvang ook al in 2015 en 2016 op deze manier plaatsvond, zodat, de reiskosten niet veroorzaakt zijn door problemen met de KOT. De CWS heeft in dat verband vermeld dat haar uit gegevens van de UHT ook is gebleken dat de opvanglocatie van de kinderen van belanghebbende de gehele periode dezelfde is gebleven. Uit de stukken valt op te maken dat de CWS bij de beoordeling van de reiskosten onder andere is uitgegaan van de verklaring van belanghebbende, zoals opgenomen in de brief van gemachtigde aan de CWS van 24 mei 2023, als antwoord op de vragenbrief van 4 mei 2023. Daaruit volgt dat belanghebbende de betreffende reiskosten al vanaf 2015, dus ruim voor het begin van de kinderopvangtoeslag-problematiek in januari 2017 maakte. In bezwaar zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht of gebleken die leiden tot een ander oordeel dan dat van de CWS. Gemachtigde stelt in zijn bezwaar, kort gezegd, dat het niet om reiskosten in verband met reguliere opvang gaat, maar om andere extra (reis)kosten die verband hielden met de stopzetting van de toeslagen. Dit is echter niet nader toegelicht of aannemelijk gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Inkomensschade
De Commissie ziet onvoldoende aanknopingspunten om te adviseren dat de door de CWS toegewezen vergoeding van € 12.300,- wegens inkomensschade, voor door belanghebbende opgelopen studievertraging, berust op een te beperkte inschatting van de geleden schade. Hieronder zal de Commissie de jaren bespreken waarvoor belanghebbende vergoeding van de werkelijk schade verzoekt.
Periode 2015/2016
De Commissie vindt dat onvoldoende aannemelijk is dat belanghebbende in de jaren 2015 en 2016 schade heeft geleden als gevolg van de problemen met de kinderopvang. Uit de stukken blijkt dat de problemen door de onterechte terugvorderingen van de KOT over 2015 pas in januari 2017 zijn begonnen. De Commissie is daarom van oordeel dat een eventuele achterstand op de arbeidsmarkt die in de periode tot januari 2017 ontstond, niet veroorzaakt kan zijn door de problemen met de KOT. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
2017
Begin 2017 heeft belanghebbende te horen gekregen dat ze ruim € 6.000,- KOT over het toeslagjaar 2015 moest terugbetalen. De Commissie acht het redelijk om, zoals CWS heeft gedaan, aan te nemen dat belanghebbende een half jaar studievertraging heeft opgelopen door de daaruit voortvloeiende problemen. Belanghebbende had in januari 2017, gelet op het moment van inschrijving in 2011 en de normale duur van de gevolgde opleiding van vier jaar, al afgestudeerd kunnen zijn. Verder is in aanmerking genomen dat het vanaf januari 2017 nog 1,5 jaar heeft geduurd voordat ze haar studie had afgerond. Daaruit valt af te leiden dat belanghebbende ook los van de problemen met de kindertoeslag meer tijd nodig had voor haar studie dan de daarvoor gestelde duur. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Periode na 2017
Met betrekking tot de problemen met de KOT over de toeslagjaren 2017 en 2018, en met het terugbetalen van de KOT over 2015, deelt de Commissie het standpunt van de CWS. De dwangverrekeningen voor de terugvorderingen over de jaren 2015, 2017 en 2018 vonden pas plaats vanaf oktober 2018, nadat belanghebbende haar studie in 2018 had afgerond. Zij kunnen dan ook geen effect hebben gehad op de studievoortgang van belanghebbende. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Lagere schaal
Belanghebbende stelt dat ze, mede door vertraging in haar studie, een functie in een lagere schaal heeft moeten accepteren en daardoor inkomensschade heeft opgelopen. De Commissie is van mening dat het onvoldoende aannemelijk is dat er een verband bestaat tussen de problemen met de KOT en eventuele inkomensschade door het accepteren van een baan in een lagere schaal. De Commissie heeft daarbij meegewogen dat het vinden van een baan en het daarbij horende salaris afhankelijk zijn van meerdere onzekere factoren. Ook garandeert het behalen van een bepaalde opleiding niet een baan in een bepaalde (hogere) functie. Bovendien had belanghebbende al een aantal jaar vertraging in haar studie opgelopen, voordat de problemen met de KOT begonnen. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Schadeberekening
De Commissie sluit zich op dit punt aan bij de door de CWS geadviseerde schadevergoeding en de daarbij gegeven uitgebreide toelichting en onderbouwing. In bezwaar brengt belanghebbende geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren die de CWS niet reeds in haar beoordeling heeft meegenomen of die tot een andersluidend oordeel en daarmee tot een aanvullende schadevergoeding kunnen leiden. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Inkomensschade partner
De Commissie acht het onvoldoende aannemelijk dat de partner van belanghebbende inkomensschade heeft geleden, doordat hij als gevolg van de problemen met de KOT minder tijd aan zijn onderneming heeft kunnen besteden. Volgens de CWS was er voor hem geen belemmering om te werken omdat, ondanks de grote terugvorderingen, er steeds opvang is geweest, waarvoor KOT werd ontvangen. Verder blijkt uit de fiscale gegevens dat er een stijging van de winst was.
Van belang is hierbij dat, hoewel de problemen met de KOT zijn begonnen in 2017, er pas in oktober 2018 dwangverrekeningen waren. En in de periode dat er werkelijk werd teruggevorderd nam de fiscale winst van de onderneming van de partner toe. De Commissie ziet daarom geen verband tussen eventuele inkomensschade van de partner van belanghebbende en de problemen met de KOT.
Dat de partner van belanghebbende zonder de problemen met de KOT meer had kunnen werken acht de Commissie onvoldoende aannemelijk. De enkele verwachting van de partner op dit punt is onvoldoende. Verder zijn in het bezwaar geen nieuwe omstandigheden of feiten aangedragen waaruit volgt dat dit anders is. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Studiekosten
De CWS heeft in haar advies naar voren gebracht waarom zij vindt dat belanghebbende vanaf 2017 een half jaar studievertraging heeft opgelopen door problemen met de KOT. Gelet daarop heeft de CWS geadviseerd voor het jaar 2017/2018 de helft van het collegegeld te vergoeden. De Commissie kan zich hierin vinden en adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Leningen
De Commissie overweegt dat een lening of schuld op zichzelf geen schade vormt omdat hiertegenover een tegenprestatie in de vorm van verstrekte bestedingsruimte staat.
Slechts rente of bijkomende kosten van deze leningen of schulden komen voor vergoeding in aanmerking als deze in verband staan met de kinderopvangtoeslag-problemen. Dat is niet het geval. De betreffende leningen zijn namelijk voor 2017 aangegaan en daarnaast is ook niet aannemelijk geworden dat belanghebbende rente of kosten heeft voldaan. In het bezwaar zijn geen omstandigheden of feiten naar voren gebracht waaruit volgt dat dit anders is. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Immateriële schade
De Commissie stelt vast dat de CWS in haar advies de immateriële schadevergoeding heeft vastgesteld overeenkomstig het destijds geldende schadekader. Daarbij heeft de CWS toegelicht met welke factoren zij bij de bepaling van de vergoeding van immateriële schade rekening heeft gehouden. Verder heeft zij de reden van toekenning genoemd en een onderverdeling gemaakt van het toe te kennen bedrag in een bedrag voor het leed van belanghebbende en haar partner (€ 18.000,-) en bedragen van € 1.500,- voor ieder kind, in totaal € 22.500,-. De Commissie ziet geen reden om hiervan af te wijken en adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Schadekader, gepubliceerd op 1 juli 2024
De Commissie heeft het bestreden besluit getoetst aan het aangepaste schadekader dat de CWS op 1 juli 2024 heeft gepubliceerd. Dit kader werkt uit in het voordeel van belanghebbende en leidt in veel gevallen tot hogere vergoedingen. De Commissie acht de aangepaste berekening juist, adviseert UHT het besluit dienovereenkomstig te wijzigen, en het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren, met wijziging en aanvulling van de motivering.
Nieuw schadekader, gepubliceerd op 22 december 2025
In de hoorzitting van 8 december 2025 bevestigde gemachtigde dat hij geen inhoudelijke gronden heeft om datgene wat in de beschouwing is gesteld te betwisten. Gemachtigde legt zich neer bij die uitkomst, mits het hogere bedrag dat aan belanghebbende toekomt op basis van het nieuwste schadekader tot uitbetaling komt.
De CWS heeft intussen een nieuw schadekader ontwikkeld. Zij heeft dit aangepaste kader op 22 december 2025 gepubliceerd. De Commissie stelt vast dat UHT dit nieuwe beleid zal betrekken in de beoordeling van het bezwaar als het van invloed is op de schadeposten in deze zaak en tot een voor belanghebbende gunstiger uitkomst leidt. In de hoorzitting van 8 december 2025 heeft de behandelend ambtenaar UHT toegezegd dat UHT het verzoek om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, ambtshalve zal toetsen aan dat nieuwe schadekader als dat ten gunste van belanghebbende uitwerkt. De Commissie adviseert UHT te handelen overeenkomstig deze toezegging.
Proceskosten
Omdat het bestreden besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert zij tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
De Commissie adviseert om het bezwaar deels gegrond te verklaren en de aanvullende schadevergoeding opnieuw te berekenen, met inachtneming van dit advies. Ook adviseert de Commissie om belanghebbende een forfaitaire vergoeding, zoals hierboven is omschreven, toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter