BAC 2025-15578
Publicatiedatum 29-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 2 april 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 11 december 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 5 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 9 augustus 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2006 tot en met 2009. In overleg met belanghebbende is dit gewijzigd naar de toeslagjaren 2008 tot en met 2010.
- UHT heeft bij beschikking van 7 april 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 20 maart 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie over de toeslagen 2008 tot en met 2010.
- Gemachtigde heeft op 10 mei 2024 bezwaar ingediend tegen deze beschikking.
- UHT heeft op 27 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift
- Gemachtigde heeft het bezwaar op 15 oktober 2025 aangevuld.
- Gemachtigde heeft op 10 december 2025 de gronden van bezwaar aangevuld en de Commissie geïnformeerd dat zij en haar cliënt niet zullen verschijnen op de hoorzitting. Belanghebbende heeft volgens gemachtigde geen behoefte aan een hoorzitting.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 17 december 2025 een nadere schriftelijke reactie op de aanvullende gronden van 10 december 2025 ingediend. De Commissie heeft partijen hierna geïnformeerd dat zij overgaat tot advisering.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Belanghebbende stelt dat geen sprake is van een deugdelijke beoordeling door UHT. De Commissie overweegt hierover als volgt.
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (LIC) - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden besluiten behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat hij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat hij niet de beschikking heeft over zijn persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 3 juli 2025 naar gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten. De Commissie is van oordeel dat het niet hebben van het persoonlijk dossier belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.
De Commissie stelt vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat uit het dossier volgt dat hij stond opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) en verzoekt om het ‘Dagboek FSV’ en alle overige stukken betreffende dit onderwerp. Hij wil graag duidelijkheid over zijn opname op de FSV-lijst.
UHT stelt dat de weergave van de FSV-registratie is opgenomen in het dossier en dat zij niet over andere informatie over deze registratie beschikt. UHT licht toe dat in het geval van belanghebbende de opname in de FSV-lijst niet heeft geleid tot onderzoek naar fouten of tekortkomingen van belanghebbende in relatie tot de KOT.
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. De Commissie is van oordeel van dat UHT dit punt voldoende heeft toegelicht.
Belanghebbende is van mening, dat de conclusie in het dossier, dat belanghebbende geen onterechte kwalificatie O/GS had, onvoldoende onderbouwd is. Hij verzoekt UHT alle relevante informatie in het geding te brengen om deze onderbouwing te verbeteren.
UHT heeft toegelicht dat zij de informatie over de kwalificatie O/GS ontvangt van de afdeling Centrale Administratieve Processen (hierna: CAP). CAP is een apart onderdeel van B/T. UHT is van mening dat zij mag vertrouwen op de informatie die CAP aanlevert. Uit de systemen is volgens CAP niet gebleken dat een verzoek van belanghebbende om een persoonlijke betalingsregeling is gedaan en dat dit verzoek is afgewezen. Het is volgens UHT verder ook niet aannemelijk geworden dat om een persoonlijke betalingsregeling is verzocht en dat dit verzoek is afgewezen.
De Commissie is van oordeel dat UHT voldoende heeft onderbouwd dat geen sprake is van een onterechte kwalificatie O/GS en adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat in de beoordeling onvoldoende is ingegaan op de vraag of sprake is geweest van discriminatie. Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken, de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden en uit de schriftelijke beschouwing van UHT niet gebleken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2007 tot en met 2009
Belanghebbende stelt dat B/T ten onrechte pas op 14 mei 2007 is overgegaan tot uitbetaling van de KOT over toeslagjaar 2007, terwijl de aanvraag al in februari 2007 was ingediend. Over de toeslagjaren 2008 en 2009 stelt belanghebbende dat de KOT destijds onjuist is vastgesteld omdat het toetsingsinkomen van belanghebbende op respectievelijk € 0 en € 1 is vastgesteld. Ook stelt belanghebbende dat B/T de KOT over toeslagjaar 2009 niet had mogen verrekenen. Dit levert vooringenomenheid op.
UHT stelt dat de hersteloperatie niet is bedoeld om fouten in de uitvoering van de KOT uit het verleden te herstellen. Volgens UHT is dit standpunt ook bevestigd door de Raad van State in zijn uitspraak van 30 april 2025. Daarnaast stelt UHT dat B/T destijds bevoegd was om toeslagen over verschillende toeslagjaren met elkaar te verrekenen. .
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. Daarnaast onderschrijft de Commissie het standpunt van UHT dat B/T destijds bevoegd was om toeslagen met elkaar te verrekenen. Dit levert naar oordeel van de Commissie geen vooringenomenheid op. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat de eerste neerwaartse bijstelling over toeslagjaar 2010 voortkwam uit een verlaging van het aantal opvanguren. Hij stelt dat deze wijziging niet door hemzelf is doorgevoerd, maar door de kinderopvang of door B/T. Belanghebbende verwijst naar een brief van 25 november 2009 waarin hij beroep aantekent tegen de beëindiging van de kinderopvang. Hieruit blijkt volgens belanghebbende zijn behoefte aan opvang en dat hier met de door hem ontvangen KOT onvoldoende aan tegemoetgekomen werd. Volgens belanghebbende moet de KOT over toeslagjaar 2010 opnieuw berekend worden.
UHT stelt dat de KOT op 12 januari 2010 is verlaagd naar € 13.735 op basis van een door belanghebbende doorgevoerde vermindering in het aantal opvanguren en het nieuwe rekentarief per 1 januari 2010. Op 18 februari 2010 is de KOT op nihil gesteld vanwege een stopzetting door belanghebbende per 1 januari 2010. Uit het XML-bestand blijkt volgens UHT dat belanghebbende deze wijziging op 1 februari 2010 heeft doorgevoerd.
De KOT over toeslagjaar 2010 is hierna op 3 juli 2013 definitief vastgesteld op € 0. Volgens UHT mocht B/T vertrouwen op de juistheid van de door belanghebbende doorgegeven wijzigingen. Bovendien blijkt uit de KOI viewer niet dat belanghebbende in 2010 kinderopvang heeft gehad. In zijn brief van 25 november 2009 verwijst belanghebbende naar een besluit van 18 november 2009. Die brief is niet in de systemen van B/T te vinden en er is geen besluit van 18 november 2009 over stopzetting van de KOT bekend. Bij beschikking van 5 december 2009 is de aanvraag voor 2009 juist verlengd voor 2010 en is voor dat jaar een voorschot toegekend.
De Commissie overweegt dat uit het dossier blijkt dat de wijzigingen in de KOT door belanghebbende zelf zijn doorgevoerd. Naar het oordeel van de Commissie mocht B/T vertrouwen op deze wijzigingen en dat deze wijzigingen dus op een reguliere manier hebben plaatsgevonden. De Commissie overweegt verder dat de Wht niet is bedoeld om de hoogte van de KOT die destijds is vastgesteld aan te passen. De Wht ziet op het herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie O/GS. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DCHOA af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar, gericht tegen de beschikking van 2 april 2024 met kenmerk UHT-DCHOA, ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter