Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15569

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 25 oktober 2023 (UHT-DCH)

Overdracht advies aan UHT: 30 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 25.337,- voor de jaren 2007, 2008 en januari tot en met juni 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006 en juli tot en met december 2009.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 22 februari 2023 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2011.
    Nadien is dit verzoek in overleg met belanghebbende beperkt tot de jaren 2005 tot en met 2009.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft op 25 augustus 2023 aan UHT geadviseerd dat gedurende de jaren 2005, 2006 en juli tot en met december 2009 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend  van € 25.085,-.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 25.337,- voor de jaren 2007, 2008 en januari tot en met juni 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006 en juli tot en met december 2009. Dit bedrag is op grond van de Catshuisregeling verhoogd tot € 30.000,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 november 2023 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 4 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft op 9 april 2026 een kopie overgelegd van een op 23/25 juni 2025 door belanghebbende en de Staat der Nederlanden getekende vaststellingsovereenkomst.
  • Bij e-mail van 13 april 2026 heeft de Commissie aan gemachtigde en UHT bericht dat zij voornemens is UHT te adviseren het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang en daarom overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 lid 3 aanhef en onder a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afziet van het horen van belanghebbende.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Voordat de Commissie inhoudelijk kan beoordelen, dient zij eerst te beoordelen of het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk is, nu belanghebbende in het kader van een procedure bij de Stichting Gelijkwaardig Herstel op 25 juni 2025 een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten in het kader van de afwikkeling van de (aanvullende) schade die zij ten gevolge van de toeslagenaffaire heeft geleden. UHT stelt zich op het standpunt dat partijen in de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat alle procedures in het kader van de kinderopvangaffaire zouden worden ingetrokken. Belanghebbende stelt dat zij belang heeft bij een beslissing op haar onderhavige bezwaar.

De Commissie stelt vast dat in artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat partijen elkaar finale kwijting verlenen en dat zij over en weer geen civielrechtelijke vorderingen en bestuursrechtelijke aanspraken meer op elkaar hebben in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire. Tevens is in lid 4 van dat artikel bepaald  dat lopende bestuursrechtelijke of gerechtelijke procedures in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire, in het bijzonder procedures die betrekking hebben op de integrale beoordeling, worden ingetrokken dan wel als ingetrokken worden beschouwd.

De Commissie merkt in dit verband op dat gemachtigde onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
24 december 2025 (ECLI:RVS:2025:6332) heeft aangevoerd dat met het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst als de onderhavige niet zonder meer sprake is van een formele intrekking van het bezwaar. De Commissie volgt gemachtigde in zoverre. Artikel 6:21 van de Awb bepaalt dat een bezwaar of beroep schriftelijk kan worden ingetrokken en tijdens een hoorzitting ook mondeling. Indien de indiener van een bezwaar dat wil intrekken, dient hij/zij dit aan de bestuursrechter kenbaar te maken. Die formele intrekking heeft in dit geval niet plaatsgevonden.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of belanghebbende nog procesbelang heeft bij de behandeling van haar bezwaar. In bezwaar procedeert belanghebbende over de hoogte van de haar toekomende compensatie in het kader van de integrale beoordeling. In de vaststellingsovereenkomst zijn belanghebbende en de Staat overeengekomen dat het daarin vastgestelde bedrag alle schade compenseert die belanghebbende als gevolg van de toeslagenaffaire heeft geleden. Dit hebben partijen nog een keer tot uitdrukking gebracht door elkaar in artikel 5 van die overeenkomst finale kwijting te verlenen. Dat betekent dat de schade waarover belanghebbende in bezwaar procedeert inmiddels is vergoed door het in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen compensatiebedrag.

Het procesbelang van belanghebbende bij voortzetting van deze bezwaar-procedure is daarom komen te vervallen. Dat belanghebbende zich kennelijk niet met die consequentie van de vaststellingsovereenkomst kan verenigen, maakt dit niet anders.

Gelet op het voorgaande acht de Commissie het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang en adviseert de Commissie UHT overeenkomstig te beslissen.

Conclusie

De Commissie adviseert om het bezwaar tegen het bestreden besluit kennelijk nietontvankelijk te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter