BAC 2025-15567
Publicatiedatum 06-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit:30 oktober 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 19 september 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 10 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 30 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en te herroepen, en alsnog compensatie toe te kennen voor de periode mei tot en met december 2013 op grond van vooringenomenheid. De Commissie adviseert tevens een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 30 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCH.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 43.821. Dit bedrag ziet op het toeslagjaar 2012, waarbij de compensatie is toegekend op grond van vooringenomenheid, en op de periode januari tot en met april 2013, waarbij compensatie is toegekend op grond van hardheid. Voor de periode mei tot en met december 2013 en voor het toeslagjaar 2014 is geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 20 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2012 tot en met 2014.
- UHT heeft bij beschikking van 22 maart 2022 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is voor de maanden mei tot en met december van het toeslagjaar 2013 en voor het toeslagjaar 2014.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 30 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van
€ 43.821. Deze compensatie is toegekend op grond van vooringenomenheid voor het toeslagjaar 2012 en op grond van hardheid voor de periode januari tot en met april van het toeslagjaar 2013. Voor de periode mei tot en met december van het toeslagjaar 2013 en voor het toeslagjaar 2014 is geen compensatie toegekend. - Gemachtigde heeft bij brief van 1 november 2023, ingekomen op 3 november 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 13 september 2024, ingekomen op
19 september 2024, het bezwaarschrift aangevuld. - UHT heeft op 27 februari 2025 schriftelijk gereageerd.
- Op 19 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op verzoek van de Commissie heeft gemachtigde op 30 september 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. UHT heeft daarop op 3 oktober 2025 gereageerd, waarna gemachtigde op 6 oktober 2025 een tweede schriftelijke reactie heeft ingediend.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van het bezwaar en de bestreden beschikking
Procedurele bezwaren
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 9 juli 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting.
Ter zitting heeft gemachtigde verwezen naar een advies van de Commissie met kenmerk BAC 2023-11591, waarin een schending van het inzagerecht was aangenomen. UHT heeft haar standpunt hierover in een aanvullende schriftelijke beschouwing nader toegelicht. De Commissie kan zich met dit standpunt verenigen. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling toeslagjaren 2012 tot en met 2014
De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van de bestreden beschikking, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het toeslagjaar 2012 en de periode januari tot en met april 2013 op de juiste wijze heeft berekend. Voorts zal de Commissie de vraag beantwoorden of UHT, terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de periode mei tot en met december 2013 en het toeslagjaar 2014, af te wijzen
Beoordeling forfaitaire compensatieberekening toeslagjaar 2012
De Commissie overweegt dat belanghebbende met de schriftelijke reactie van UHT op het bezwaar een nadere toelichting heeft ontvangen op de berekening van het compensatiebedrag. Daarbij is een per onderdeel uitgesplitste compensatieberekening verstrekt, zodat belanghebbende de juistheid van de berekening kan verifiëren.
UHT heeft in de bijlage compensatieberekening vastgesteld dat de berekening van onderdeel o) (de rentevergoeding over gemiste KOT) onjuist was, maar in het voordeel van belanghebbende is vastgesteld. Gezien het verbod op reformatio in peius zal het bedrag niet worden aangepast. De Commissie adviseert UHT om de compensatieberekening voor het toeslagjaar 2012 in stand te laten.
Beoordeling forfaitaire compensatieberekening periode januari tot en met april 2013 en beoordeling afwijzing compensatie periode mei tot en met december 2013
UHT stelt zich bij nader inzien op het standpunt dat belanghebbende voor de periode januari tot en met april 2013 in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid, in plaats van de reeds toegekende compensatie op grond van hardheid. Voor de periode mei tot en met december 2013 stelt UHT zich op het standpunt dat weliswaar sprake is van vooringenomenheid, maar dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie. Volgens UHT is sprake van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond, nu belanghebbende heeft verklaard uitsluitend opvang te hebben afgenomen in het kader van haar re-integratietraject.
De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht op aanvraag compensatie toekent als aan de toepassingsvereisten als bedoeld in dat artikellid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem of haar toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1, lid 2, van de Wht. De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.
De Commissie meent dat UHT er niet in is geslaagd aan de op haar rustende bewijslast te voldoen en overweegt daartoe als volgt. Belanghebbende heeft op 30 september 2025 in de nadere schriftelijke ronde toegelicht dat zij ook na afloop van haar re-integratietraject geregistreerde opvang heeft genoten. De Commissie acht deze verklaring navolgbaar, aangezien niet ter discussie staat dat belanghebbende in de periode mei tot en met december 2013 heeft gewerkt en daarmee afhankelijk was van kinderopvang. De stelling van UHT dat belanghebbende na haar re-integratietraject geen opvang heeft afgenomen, is niet met bewijs onderbouwd en aldus niet aannemelijk gemaakt. De Commissie is concluderend van opvatting dat UHT op basis van de voorhanden zijnde gegevens en hetgeen ter zitting is aangevoerd, niet geslaagd is in het bewijs dat sprake is van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond. Dat betekent dat de door UHT zelf aangenomen “vooringenomenheid”, als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.1 van de Wht, toepasselijk is.
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om de compensatie-berekening voor het toeslagjaar 2013 opnieuw uit te voeren en ook voor de periode van mei tot en met december 2013 compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid. Het bezwaar is in zoverre gegrond.
De (gedeeltelijke) gegrondbevinding van het bezwaar zal ook leiden tot aanpassing van alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende, vergoedingen, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar.
Tot slot merkt de Commissie op dat op grond van artikel 2.3, lid 4, van de Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter een voor belanghebbenden gunstiger beleid, waarbij zij voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade uitgaat van de datum van de eerste vooringenomen handeling door de B/T. De Commissie beveelt aan om dit beleid ook toe te passen in het geval van belanghebbende.
De Commissie zal UHT daarom adviseren de beschikking overeenkomstig dit van de Wht afwijkende maar voor belanghebbende gunstiger gehanteerde beleid aan te passen. De Commissie gaat ervan uit dat UHT dit beleid ook in vergelijkbare gevallen consistent toepast.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2014
De Commissie overweegt dat uit artikel 2.1, lid 1, van de Wht volgt dat UHT compensatie kan toekennen aan een aanvrager die schade heeft geleden omdat bij de beoordeling van het recht op KOT sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of omdat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. Voor compensatie komt een belanghebbende derhalve uitsluitend in aanmerking indien hij of zij daadwerkelijk een aanvraag voor KOT heeft ingediend.
Op grond van het SAS-overzicht stelt de Commissie vast dat er voor het toeslagjaar 2014 geen aanvraag voor KOT door belanghebbende bekend is. Belanghebbende voldoet daarmee niet aan de vereisten van artikel 2.1, lid 1, van de Wht.
De Commissie adviseert UHT derhalve het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Aangezien de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie en advies
Samengevat adviseert de Commissie aan UHT, de hiervoor geformuleerde vragen ontkennend beantwoordend, om het bezwaar gericht tegen de beschikking van
30 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- om de compensatieberekening voor het toeslagjaar 2013 opnieuw uit te voeren en ook voor de periode van mei tot en met december 2013 compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid en de bestreden beschikking in zoverre te herroepen;
- alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter