BAC 2025-15515
Publicatiedatum 21-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 10 september 2024 met kenmerk UHT-DCHOA
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 11 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beoordeling kinderopvangtoeslag van 10 september 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 30 mei 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2009. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is het verzoek uitgebreid naar de jaren 2006 tot en met 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 3 augustus 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, als bedoeld in de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij besluit van 6 juni 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat uit de voorlopige beoordeling over de jaren 2006 tot en met 2011 blijkt dat geen recht is op compensatie.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft op 28 augustus 2024 haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat in de jaren 2006 tot en met 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft met de definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 10 september 2024 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 oktober 2024 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 27 mei 2025 schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
- Gemachtigde heeft het bezwaar op 15 oktober 2025 verder aangevuld.
- Op 21 oktober 2025 heeft de gemachtigde de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen. De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
- Op 15 december 2025 heeft gemachtigde een aanvullende bezwaarschrift ingebracht.
- Op 23 december 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingebracht.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
De Commissie zal eerst ingaan op de volgende (algemene) bezwaargronden die door de gemachtigde zijn aangevoerd:
- de onderliggende stukken;
- het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel;
- de kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) en opname op de FSV-lijst;
- discriminatie;
- het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir);
- onjuiste vaststelling van de KOT;
- sommige jaren wel en sommige niet vooringenomen gehandeld;
- gebruik van informatie uit de KOI-viewer;
- de bezwaarprocedure;
- registratie van de kinderopvang;
- het niet doorgeleiden naar CWS indien geen sprake is van een gedupeerde.
De onderliggende stukken
Belanghebbende verzoekt in het kader van deze bezwaarprocedure om toezending van het volledige persoonlijke dossier. Op grond van artikel 6:17 van de Awb is het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het bezwaar te beslissen verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking te stellen aan de gemachtigde. Hieronder vallen in ieder geval het informatie- en beoordelingsformulier met tijdlijn, de SAS-overzichten, de RKT-bestanden en de LIC-overzichten.
De Commissie stelt vast dat de gemachtigde op 3 juli 2025 in het bezit is gesteld van de beschouwing van UHT, vergezeld van het ouderdossier. In aanvulling daarop heeft de Commissie op 24 december 2025 een aanvullende beschouwing met aanvullende producties aan de gemachtigde toegezonden. Deze aanvullende producties hebben betrekking op de bestreden beschikking, waarbij het formulier “Volledige integrale beoordeling herstelregeling kinderopvangtoeslag UHT” is bijgevoegd. In dit formulier zijn zowel de zienswijze van belanghebbende als de reactie van UHT daarop opgenomen.
Daarnaast is het advies van de CvW als bijlage bij de bestreden beschikking gevoegd.
Voorts zijn de ontbrekende LIC-overzichten over de jaren 2006 tot en met 2009 en het FSV-dagboek aan het ouderdossier toegevoegd. Daarmee zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de gemachtigde verstrekt. De Commissie is van oordeel dat zij op basis hiervan een zorgvuldige en volledige inhoudelijke herbeoordeling kan uitvoeren.
De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikking onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd en op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Volgens belanghebbende heeft UHT bij het nemen van deze beschikking geen rekening gehouden met de voorlopige zienswijze van belanghebbende.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van zowel de motivering van het besluit als de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking op uitvoerige en overtuigende wijze heeft gemotiveerd. Met de beschouwingen van 27 mei 2025 en 23 december 2025 heeft UHT een uitgebreide toelichting gegeven, onder meer aan de hand van de LIC- en SAS-overzichten en overige relevante stukken. Daarbij heeft UHT rekening gehouden met de voorlopige zienswijze van belanghebbende en het oordeel van de CvW, voordat de bestreden beschikking werd genomen. Deze documenten maken tevens deel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Voorts is tijdens de definitieve integrale beoordeling gereageerd op de zienswijze van belanghebbende. Het dossier is daarbij voorgelegd aan de CvW, die de beoordeling van UHT heeft bevestigd. De definitieve beoordeling, inclusief deze reactie, is op 10 september 2024 aan de gemachtigde toegezonden. Het was aanvankelijk onduidelijk waarom deze beoordeling niet aan het ouderdossier was toegevoegd; dit is inmiddels alsnog gebeurd onder productie 2700006.
De kwalificatie O/GS en opname op de FSV-lijst
De gemachtigde heeft aangevoerd dat de onderbouwing in de onderliggende stukken voor het ontbreken van een O/GS-kwalificatie onvoldoende is. Tevens ontbreekt volgens de gemachtigde een toelichting op de opname van belanghebbende op de FSV-lijst.
De Commissie acht het ontoereikend dat UHT in dit verband enkel verwijst naar pagina’s 22 en 243 van de onderliggende stukken, waarin uitsluitend wordt vastgesteld dat geen sprake is van een O/GS-kwalificatie. Een toelichting op de wijze waarop tot deze conclusie is gekomen ontbreekt. Hierdoor is een nadere uitleg wenselijk. Indien hierover intern aanvullende informatie beschikbaar is, acht de Commissie het begrijpelijk dat belanghebbende behoefte heeft aan inzicht daarin.
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om in de beslissing op bezwaar alsnog met inachtneming van het gestelde aan het slot van het memo ‘Onderliggende stukken O/GS’ van Dienst Toeslagen Afdeling Vaktechniek van 18 september 2025 een duidelijke en begrijpelijke toelichting te geven op de wijze waarop is vastgesteld dat geen sprake is van een O/GS-kwalificatie.
Ten aanzien van de opname op de FSV-lijst merkt de Commissie op dat uit het informatie- en beoordelingsformulier (pagina 22 van de onderliggende stukken) blijkt dat belanghebbende niet op deze lijst heeft gestaan. In de aanvullende beschouwing wordt daarbij verwezen naar een printscreen van de FSV-check.
De Commissie is van oordeel dat UHT hiermee aannemelijk heeft gemotiveerd dat belanghebbende niet op de FSV-lijst is opgenomen en dat hierover dan ook geen nadere informatie beschikbaar is.
Discriminatie
De Commissie overweegt dat voor toekenning van compensatie wegens discriminatie, vooringenomenheid of onbillijke hardheid concreet moet worden aangetoond dat het bestuursorgaan onzorgvuldig heeft gehandeld of in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is opgetreden. Daarbij dient aannemelijk te worden gemaakt dat dit handelen daadwerkelijk tot schade heeft geleid. Het enkele bestaan van een risicoprofiel, een intern signaal of een intensievere controle vormt op zichzelf onvoldoende grond voor compensatie. Vereist is dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen het handelen van het bestuursorgaan en een nadelige beslissing of situatie voor belanghebbende.
In het onderhavige geval heeft belanghebbende weliswaar gesteld dat zij is gediscrimineerd, maar deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd met concrete feiten, omstandigheden of stukken. De Commissie merkt daarbij op dat van degene die zich op deze gronden beroept mag worden verwacht dat dit standpunt deugdelijk wordt gemotiveerd.
Gelet op het voorgaande acht de Commissie deze bezwaargrond ongegrond.
Het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Awir
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Awir niet, althans niet tijdig, definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar.
De Commissie stelt vast dat de beslistermijnen voor het definitief vaststellen van de KOT zijn neergelegd in artikel 19 van de Awir. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat deze termijnen als tot op zekere hoogte fataal moeten worden aangemerkt. Dit brengt mee dat B/T gehouden is deze termijnen in acht te nemen, tenzij tijdig en schriftelijk een verlenging wordt aangekondigd onder vermelding van een redelijke nieuwe termijn, dan wel sprake is van bijzondere omstandigheden die een latere vaststelling rechtvaardigen. Van dergelijke omstandigheden kan onder meer sprake zijn indien het gezamenlijk toetsingsinkomen op een later moment beschikbaar komt. In dat geval is verlenging van de beslistermijn slechts toegestaan voor zover en zolang dit noodzakelijk is voor een zorgvuldige vaststelling van de aanspraak op KOT.
De Commissie volgt UHT in haar standpunt dat uit de RKT-bestanden over de jaren 2006 tot en met 2009 blijkt dat het definitieve toetsingsinkomen op respectievelijk 10 juni 2011, 13 juni 2011, 15 juni 2011 en 17 juli 2012 bij B/T bekend is geworden. B/T heeft vervolgens de definitieve beschikkingen afgegeven op 24 juni 2011, 28 juni 2011, 29 juni 2011 en 31 juli 2012. Dat B/T na het bekend worden van het gezamenlijk toetsingsinkomen op korte termijn is overgegaan tot het vaststellen van de definitieve KOT, acht de Commissie slagvaardig.
De Commissie zal vervolgens ingaan op de periode tussen de voorschotbeschikkingen en het moment waarop de gezamenlijke inkomensgegevens in de hiervoor genoemde jaren bekend zijn geworden.
De Commissie heeft in de onderliggende stukken geen aanwijzingen aangetroffen dat B/T belanghebbende heeft geïnformeerd dat het recht op KOT over de jaren 2006 tot en met 2009 nog niet definitief kon worden vastgesteld wegens het ontbreken van het gezamenlijk toetsingsinkomen, noch dat B/T belanghebbende tijdig en schriftelijk heeft meegedeeld dat de beslistermijn werd verlengd.
De Commissie gaat er daarom van uit dat een dergelijke kennisgeving niet heeft plaatsgevonden. Het enkele feit dat de definitieve beschikkingen niet binnen de termijn van artikel 19 van de Awir zijn vastgesteld, is zonder bijkomende omstandigheden onvoldoende om vooringenomen handelen aan te nemen.
Gelet op het voorgaande is de Commissie van oordeel dat deze bezwaargrond geen doel treft.
Onjuiste vaststelling van de KOT
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel in gevallen van vooringenomen handelen, onbillijke hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie, en niet ziet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Met de stelling dat belanghebbende niet de juiste bedragen aan KOT heeft ontvangen, wordt feitelijk verzocht terug te komen op eerdere toekenningen en daarmee op de juistheid van de destijds definitief vastgestelde bedragen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.
Sommige jaren wel en sommige niet vooringenomen gehandeld
De Commissie overweegt dat bij de beoordeling van mogelijke vooringenomenheid, discriminatie of onbillijke hardheid per toeslagjaar afzonderlijk moet worden gekeken naar de omstandigheden en besluitvorming van dat specifieke jaar. Dit betekent dat de aanwezigheid van vooringenomenheid per jaar kan verschillen, afhankelijk van de aard van de genomen besluiten en de toen geldende maatregelen. Bevindingen in het ene jaar werken daarom niet automatisch door naar andere jaren; elk toeslagjaar moet op zijn eigen merites worden beoordeeld.
Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.
Informatie uit de KOI-viewer
De gemachtigde voert aan dat B/T zich bij de vaststelling van de KOT niet blindelings mocht baseren op informatie uit de KOI-viewer.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie uit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie aangedragen waaruit blijkt dat de gegevens uit de KOI-viewer onjuist waren.
De Commissie stelt vast dat over de toeslagjaren 2006 tot en met 2008, 2010 en 2011 de KOI-viewer geen rol heeft gespeeld bij de beoordeling van de KOT. Voor toeslagjaar 2009 heeft de informatie uit de KOI-viewer wel geleid tot een neerwaartse bijstelling van de KOT. Hierop wordt nader ingegaan onder het kopje “toeslagjaar 2009”.
Bezwaarprocedure
De gemachtigde voert aan dat B/T niet altijd een beslissing op bezwaar nam na het indienen van een bezwaarschrift, waardoor belanghebbende geen rechtsmiddelen kon aanwenden. Deze wijze van afdoening wordt als vooringenomen aangemerkt.
De Commissie stelt vast dat uit de onderliggende stukken blijkt dat belanghebbende over de jaren 2006 tot en met 2011 geen bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikkingen van B/T, of slechts brieven heeft gestuurd die als bezwaarschrift aangemerkt hadden kunnen worden. De gemachtigde heeft haar stelling in deze bezwaarprocedure niet nader geconcretiseerd. Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.
Registratie van de kinderopvang
Belanghebbende kan niet worden tegengeworpen dat gebruik is gemaakt van een niet-geregistreerde kinderopvanginstelling (LRK-registratie); een dergelijk verwijt kan wel aan B/T worden gemaakt.
Voor KOT is op grond van artikel 1.5, tweede lid, van de Wet kinderopvang vereist dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvanginstelling die geregistreerd is in het LRK-register. In het algemeen mag van een aanvrager worden verwacht dat zij bij aanvang van de opvang nagaat of de kinderopvanginstelling beschikt over een geldige LRK-registratie.
De Commissie heeft echter niet kunnen vaststellen dat belanghebbende dit verwijt kan worden gemaakt. Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.
Niet naar CWS indien geen gedupeerde
Voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade komt in aanmerking (1) de ouder bij wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn/haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T, (2) de ouder die ten onrechte een kwalificatie O/GS heeft gekregen en aan wie daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd of (3) de ouder aan wie ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en aan wie op grond van artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt. De Commissie is van oordeel dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen. Daarom komt belanghebbende ook niet in aanmerking voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
De toeslagjaren 2006 tot en met 2011
De Commissie ziet zich verder gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 af te wijzen.
Toeslagjaar 2006
Belanghebbende voert aan dat B/T de KOT aan de kinderopvanginstelling heeft betaald terwijl zij de volledige opvangkosten zelf had voldaan, waardoor financiële problemen zijn ontstaan. Er hebben verrekeningen plaatsgevonden en aan de instelling is een bedrag van € 6 nabetaald. UHT benadrukt dat de KOT met terugwerkende kracht is toegekend en volledig aan de kinderopvanginstelling is betaald. Belanghebbende stelt dat zij hierdoor vooringenomen is behandeld of een beroep kan doen op de hardheidsregeling.
UHT heeft toegelicht dat de KOT met terugwerkende kracht is toegekend en rechtstreeks aan de instelling is uitbetaald. Uit het LIC-overzicht van 2006 blijkt dat dit met toestemming van belanghebbende is gebeurd. De Commissie constateert dat de KOT volledig en correct is toegekend, zodat geen sprake is van vooringenomenheid.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over 2006 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard is uitgewerkt. De terugvorderingen zijn gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd en geven in beginsel geen aanspraak op een hardheidstegemoetkoming.
In het geval van belanghebbende zijn twee neerwaartse bijstellingen vastgesteld:
- Op basis van de jaaropgave werd de KOT aangepast van € 3.356 naar €2.701.
- Vervolgens werd, door een onjuiste opgave van het aantal opvanguren, de KOT aangepast naar € 2.834.
De later genomen beschikkingen van 8 oktober 2007 en 24 juni 2011 hebben de hoogte van de KOT in overeenstemming gebracht met de overgelegde jaaropgave.
De Commissie overweegt dat het enkele feit dat zowel B/T als belanghebbende betalingen hebben verricht, onvoldoende is om vooringenomenheid aan te nemen of toepassing van de hardheidsregeling te rechtvaardigen. Uit het LIC-overzicht volgt dat B/T de KOT namens belanghebbende rechtstreeks aan de instelling heeft betaald. De door belanghebbende overgelegde factuur van 12 januari 2007 maakt niet aannemelijk dat sprake is van dubbele betaling. Bovendien heeft B/T op 1 februari 2007 betaald, voorafgaand aan de eerste voorschotbeschikking van 12 februari 2007. De stelling van belanghebbende dat zij daarnaast zelf betalingen heeft verricht, is niet nader onderbouwd.
Toepassing van de hardheidsclausule is slechts aan de orde bij serieuze en structurele financiële nood die rechtstreeks verband houdt met de gestelde dubbele betaling. Voor het aannemen van vooringenomenheid zijn concrete en objectieve aanwijzingen vereist; financiële nadelige gevolgen alleen zijn onvoldoende.
Daarnaast stelt de Commissie vast dat B/T op grond van artikel 30 van de Awir bevoegd is vorderingen te verrekenen met andere toeslagen, ongeacht het berekeningsjaar. Uit het LIC-overzicht blijkt dat B/T daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van deze verrekeningsbevoegdheid. Zo is bij de eerste neerwaartse bijstelling een bedrag van € 110 verrekend met de KOT over 2007. De latere nabetaling van € 6 op basis van de beschikking van 8 oktober 2007 is begrijpelijk en correct.
Gelet op het voorgaande is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende door B/T vooringenomen is behandeld, noch dat zij aanspraak maakt op een tegemoetkoming op grond van de hardheidsregeling.
De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2007
Belanghebbende voert aan dat B/T in de definitieve beschikking is uitgegaan van informatie uit de KOI-viewer en niet van de jaaropgave. Voor haar twee kinderen is daarbij een onjuiste urenomvang van 125 uur per maand gehanteerd, terwijl dit 158 uur per maand had moeten zijn. Belanghebbende stelt dat zij hierdoor afhankelijk was van de KOT en door B/T vooringenomen is behandeld.
UHT geeft aan dat de doorgegeven wijzigingen in het aantal kinderopvanguren overeenkwamen met de gegevens van de kinderopvanginstelling zoals opgenomen in de KOI-viewer. Er zijn geen discrepanties geconstateerd, zodat geen aanleiding bestond om een jaaropgave bij belanghebbende op te vragen. De KOT is daarop ongewijzigd vastgesteld.
De Commissie overweegt dat in toeslagjaar 2007 geen neerwaartse bijstelling of terugvordering van de KOT heeft plaatsgevonden. Daarmee is geen sprake van schade in de zin van de Wht. Zowel de wet als de jurisprudentie vereisen dat daadwerkelijk financieel nadeel is geleden door een besluit van B/T om aanspraak op compensatie te kunnen maken. De hardheidsclausule is in dit geval niet van toepassing, omdat deze alleen geldt bij reële en aantoonbare financiële nadelen. Compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid is derhalve uitgesloten.
Gelet hierop komt de Commissie niet toe aan verdere behandeling van de bezwaargronden.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2008
Belanghebbende stelt dat B/T is uitgegaan van de KOI-viewer zonder de jaaropgave op te vragen, en dat zij daardoor vooringenomen is behandeld. UHT geeft aan dat de wijzigingen in de opvanguren overeenkwamen met de gegevens uit de KOI-viewer, zodat er geen reden was om een jaaropgave op te vragen.
De Commissie overweegt dat ook in toeslagjaar 2008 geen neerwaartse bijstelling of terugvordering van de KOT heeft plaatsgevonden. Daarmee is geen sprake van schade in de zin van de Wht, en compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid is in deze situatie uitgesloten.
Gelet hierop komt de Commissie niet toe aan verdere behandeling van de bezwaargronden.
De Commissie adviseert de UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2009
Belanghebbende stelt dat B/T is uitgegaan van de KOI-viewer zonder de jaaropgave op te vragen. De KOT is uitbetaald aan de Gemeentelijke Kredietbank, en belanghebbende betwist dat hierover betaalafspraken zijn gemaakt. Zij voert aan dat diverse verrekeningen en betalingen wijzen op vooringenomenheid.
UHT geeft aan dat de informatie van de kinderopvanginstelling over het kind van belanghebbende, [naam], betrekking heeft op de periode tot en met 15 december 2009. De gegevens weken slechts minimaal af van de wijziging van 6 maart 2009 die belanghebbende had doorgegeven en kwamen verder overeen met de KOI-viewer. Na deze wijziging zijn geen nieuwe wijzigingen doorgegeven en waren er geen conflicterende gegevens. Er was voor B/T dan ook geen aanleiding om een jaaropgave op te vragen of nader onderzoek in te stellen. B/T mocht de KOT onder voorwaarden uitbetalen aan een derde; de Awir en de Uitvoeringsregeling Awir laten dit toe, bijvoorbeeld aan een kinderopvanginstelling, een schuldhulpverlenende instantie of een gemeente in het kader van schuldregeling of budgetbeheer, zoals de Gemeentelijke Kredietbank.
De Commissie stelt, op basis van de onderliggende stukken, het volgende vast: de tweede neerwaartse bijstelling van de KOT is gebaseerd op een hoger toetsingsinkomen van belanghebbende in combinatie met de informatie uit de KOI-viewer. Hieruit blijkt dat [naam kind] opvang heeft genoten van 1 januari tot en met 15 december 2009, terwijl de KOT aanvankelijk voor het hele jaar was berekend. Gelet op het minimale verschil in de opvangperiode behoefde B/T niet te twijfelen aan de juistheid van de KOI-gegevens en zijn deze correct verwerkt.
De Commissie overweegt dat B/T zich bij de vaststelling van de KOT mocht baseren op de KOI-viewer voor de daadwerkelijk geregistreerde opvangperiode. B/T mag in beginsel uitgaan van de juistheid van deze gegevens, tenzij objectieve contra-informatie aanwezig is die nader onderzoek rechtvaardigt; van dergelijke contra-informatie is niet gebleken.
Daarnaast vormt de vaststelling van een hoger toetsingsinkomen op grond van de wet een zelfstandige en toereikende grond voor een neerwaartse bijstelling van de KOT. Alleen indien belanghebbende aannemelijk maakt dat de KOI-gegevens onjuist zijn, bijvoorbeeld door verklaringen van de kinderopvanginstelling of andere objectieve stukken, zou B/T tot nader onderzoek zijn verplicht.
Wat betreft de uitbetaling van de KOT aan de Gemeentelijke Kredietbank zonder voorafgaande betaalafspraken geldt dat dit op zichzelf geen bewijs vormt van vooringenomenheid of toepassing van de hardheidsclausule. Vooringenomen of onrechtmatig handelen kan alleen worden aangenomen indien de uitbetaling onderdeel is van een breder patroon van institutioneel onrechtmatig handelen, of wanneer hierdoor onevenredige schade voor belanghebbende is ontstaan. Van dergelijke omstandigheden is geen sprake.
Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt dat de KOT per 16 juli 2010 is stopgezet wegens vermeende non-respons, terwijl uit de KOI-viewer blijkt dat daadwerkelijk opvang heeft plaatsgevonden van januari tot en met juni 2010. Zij heeft aangegeven dat zij in deze periode werkte of recht had op KOT tijdens haar zwangerschapsverlof. In het dossier ontbreken echter inkomensgegevens die noodzakelijk zijn voor een zorgvuldige beoordeling. De KOT is uitbetaald aan de Gemeentelijke Kredietbank en door een verlaging van meer dan € 1.500 is een beroep gedaan op de hardheidsregeling. Er is geen betalingsregeling getroffen en er hebben verrekeningen plaatsgevonden.
UHT stelt dat de KOT op 17 februari 2011 met terugwerkende kracht per 16 juli 2010 is stopgezet. Hoewel B/T tweemaal aanvullende informatie had moeten opvragen voordat de toeslag volledig op nihil werd vastgesteld, blijkt uit de beschikbare gegevens en verklaringen van belanghebbende dat zij in 2010 niet heeft gewerkt en niet tot de doelgroep behoorde. Dit oordeel sluit aan bij de beoordeling van de CvW.
De Commissie constateert dat niet kan worden vastgesteld dat belanghebbende de vraagbrief of het herhaalde informatieverzoek heeft ontvangen, nu deze niet zijn terug te vinden in de systemen van B/T. Belanghebbende heeft verklaard mogelijk post te hebben gemist wegens persoonlijke omstandigheden, waaronder schuldsanering en depressieve klachten. Zij was hierdoor onvoldoende in de gelegenheid om te reageren. De Commissie kan zich daarom verenigen met het standpunt van UHT dat de stopzetting van de KOT wegens vermeende non-respons moet worden aangemerkt als vooringenomen handelen.
Voor compensatie op grond van vooringenomenheid is vereist dat niet evident vaststaat dat geen recht op KOT bestond. De Commissie overweegt dat uit de onderliggende stukken niet blijkt dat belanghebbende bezwaar heeft willen maken tegen de beschikkingen van 20 oktober 2011 en 23 februari 2013, waarin de KOT op nihil is vastgesteld. Indien zij wel bezwaar had gemaakt, hadden stukken zoals het opvangcontract, facturen en een jaaropgave kunnen worden overgelegd. Ook had B/T dan nadere informatie kunnen opvragen over een eventueel gevolgd re-integratietraject. Doordat geen bezwaar is gemaakt, zijn deze beschikkingen onherroepelijk geworden.
De Commissie stelt vast dat de gemachtigde in deze bezwaarprocedure ook geen aanvullende informatie heeft ingebracht waaruit het recht op KOT en de hoogte daarvan konden worden vastgesteld. Uit de beschikbare gegevens volgt slechts dat belanghebbende volgens de KOI-viewer gebruikmaakte van kinderopvang bij [naam] in de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 juli 2010. Dit komt overeen met de melding van belanghebbende van 17 februari 2011 dat de opvang per 16 juli 2010 diende te worden stopgezet.
Uit de onderliggende stukken blijkt niet dat belanghebbende in 2010 heeft gewerkt. De Commissie baseert zich hierbij op de verklaring van belanghebbende van 28 mei 2024 en het ontbreken van gegevens in de Administratie Basisgegevens Sociaal (ABS).
Belanghebbende heeft verklaard dat zij gedurende haar gehele zwangerschap niet heeft gewerkt. Zij is op 1 oktober 2010 bevallen van haar derde kind, [naam]. Daarnaast heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij tijdens haar uitkering deelnam aan een re-integratietraject en was vrijgesteld van de arbeidsverplichting.
Gelet op het voorgaande is compensatie op grond van vooringenomenheid niet aan de orde, nu de juistheid van het standpunt dat evident geen recht op KOT bestond, aannemelijk is.
Ten slotte overweegt de Commissie dat belanghebbende geen geslaagd beroep kan doen op de hardheidsregeling. Deze regeling is slechts bedoeld voor uitzonderlijke situaties, zoals ernstige financiële of medische omstandigheden. Niet is gebleken dat de door belanghebbende aangevoerde persoonlijke omstandigheden, waaronder medisch noodzakelijke bezoeken aan de gynaecoloog en deelname aan een schuldentraject, van zodanige ernst waren dat toepassing van de hardheidsregeling gerechtvaardigd is.
Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende voert aan dat de stopzetting van de KOT telefonisch zou zijn meegedeeld, terwijl een gespreksverslag ontbreekt. Zij betwist dat een dergelijk gesprek heeft plaatsgevonden en stelt dat er geen aanleiding was voor stopzetting, aangezien daadwerkelijk gebruik werd gemaakt van kinderopvang. De KOT is uitbetaald aan de Gemeentelijke Kredietbank. Omdat de KOT met meer dan €1.500 is verlaagd, meent belanghebbende dat zij een beroep kan doen op de hardheidsregeling. Volgens haar hebben de terugvordering en de verplichting tot terugbetaling in één keer aanzienlijke gevolgen gehad voor het beschikbare leefgeld.
UHT stelt daartegenover dat belanghebbende op 17 februari 2011 zelf telefonisch heeft verzocht om de KOT met ingang van 1 januari 2011 stop te zetten. Aan deze melding bestaat volgens UHT geen twijfel.
De Commissie ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de melding van 17 februari 2011, inhoudende dat de KOT per 1 januari 2011 moest worden stopgezet. Belanghebbende heeft tegen de daaropvolgende beschikking van 4 maart 2011 geen bezwaar gemaakt, hetgeen in dat geval voor de hand had gelegen. Ook uit de KOI-viewer volgt geen informatie die tot een ander oordeel leidt. Het ontbreken van een gespreksverslag acht de Commissie in dit verband niet doorslaggevend.
De bijstelling van de KOT is derhalve in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Een dergelijke bijstelling geeft in beginsel geen aanspraak op een hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om in dit geval anders te oordelen. Daarnaast is geen sprake geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde vergoeding.
De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter