BAC 2025-15509
Publicatiedatum 09-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 30 april 2024 (UHT-DCHO)
Overdracht advies aan UHT: 19 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bestreden besluit niet te herroepen en het verzoek om een proceskosten-vergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 30 april 2024 (kenmerk: UHT-DCHO).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een compensatiebedrag van € 61.418 toegekend voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag voor deze toeslagjaren fouten gemaakt. Compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2015 tot en met 2019 is afgewezen.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 15 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2012 tot en met 2014. In overleg met belanghebbende ziet de herbeoordeling op alle jaren waarvoor KOT is aangevraagd, te weten de toeslagjaren 2011 tot en met 2019.
- Op 28 maart 2024 heeft de Commissie van Wijzen als advies uitgebracht dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2011 en 2015 tot en met 2019.
- Op 1 februari 2024 heeft UHT als vooraankondiging het voorlopige compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014 bepaald op €60.570.
- Op 13 maart 2024 heeft gemachtigde een zienswijze ingediend.
- Op 30 april 2024 heeft UHT het definitieve compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014 vastgesteld op € 61.418. Compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2015 tot en met 2019 is afgewezen.
- Op 10 juni 2024 heeft gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.
- Op 5 juni 2025 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 7 oktober 2025 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 16 oktober 2025 heeft gemachtigde de Commissie verzocht de zaak op stukken af te doen. De hoorzitting van 11 november 2025 heeft daarom geen doorgang gevonden.
- Op 10 november 2025 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend. UHT heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om hierop nog te reageren.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2015 tot en met 2019 terecht heeft afgewezen.
Compensatieberekening 2012, 2013 en 2014
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing aangegeven dat bij het vaststellen van de rente gemiste KOT (component o van de compensatieberekening) is uitgegaan van een onjuiste einddatum. Er is uitgegaan van 14 mei 2014, terwijl de bestreden beschikking is genomen op 30 april 2024. Voor toeslagjaar 2012 had het bedrag aan rente gemiste KOT daarom € 4.465 moeten zijn in plaats van € 4.481. Voor toeslagjaar 2013 € 4.361 in plaats van € 4.377 en voor toeslagjaar 2014 € 3.796 in plaats van € 3.812. Omdat deze onjuistheden alle uitvallen in het voordeel van belanghebbende, zal UHT de bedragen niet aanpassen.
Met betrekking tot de aanvangsdatum van de immateriële schadevergoeding stelt UHT dat deze 4 maart 2015 moet zijn in plaats van de gehanteerde datum 27 februari 2015. Op 4 maart 2015 heeft B/T een brief verstuurd dat de KOT voor de toeslagjaren 2014 en 2015 wordt stopgezet (productie 1214009). Gemachtigde stelt dat de aanvangsdatum voor de immateriële schadevergoeding 19 december 2014 moet zijn omdat belanghebbende vanaf dat moment al geen KOT kreeg voor toeslagjaar 2015 (productie 1215002).
De Commissie overweegt als volgt. Op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht moet de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade worden berekend vanaf de datum van een eerste besluit tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. Belanghebbende is gecompenseerd wegens vooringenomen handelen voor toeslagjaar 2014, compensatie voor toeslagjaar 2015 is afgewezen. Nu de brief met de stopzetting van KOT voor toeslagjaar 2014 is gedateerd op 4 maart 2015, heeft de Commissie geen aanleiding om het standpunt van UHT onjuist te achten. De Commissie adviseert UHT zich de houden aan de toezegging om de onjuist gehanteerde datum van 27 februari 2015 niet aan te passen.
De Commissie overweegt dat de overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reactie, de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC-overzichten) en de overige producties, het bestreden besluit en de compensatieberekening voldoende zijn onderbouwd en zorgvuldig tot stand gekomen.
De Commissie overweegt dat de onderhavige procedure alleen betrekking heeft op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard)vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor zijn onder meer de procedure voor de werkelijke schade en de aanvullende schaderoutes bestemd. In een dergelijke procedure kan belanghebbende ook het betoog inbrengen dat belanghebbende zich gediscrimineerd voelt. De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.
Afgewezen toeslagjaren 2011 en 2015 tot en met 2019
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt volgens de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.
Met betrekking tot afgewezen toeslagjaar 2011 is de Commissie gebleken dat de enige neerwaartse bijstelling van € 666 het gevolg is geweest van een hoger toetsingsinkomen. Naar het oordeel van de Commissie is er geen reden het standpunt van UHT met betrekking tot afgewezen toeslagjaar 2011 onjuist te achten. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.
Voor de afgewezen toeslagjaren 2015 tot en met 2019 stelt UHT dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie omdat voor deze jaren geen KOT is aangevraagd.
Met betrekking tot afgewezen toeslagjaar 2015 overweegt de Commissie dat B/T in de brief van 4 maart 2015 aangeeft de KOT voor zowel 2014 als 2015 stop te zetten. Voorts blijkt uit productie 1215001 dat B/T de automatische continuering voor toeslagjaar 2015 ambtshalve heeft stopgezet. Dit strookt met de brief van B/T van 13 april 2015 (productie 1215010) waarin B/T stelt dat de aanvraag voor (2014 en) 2015 is beoordeeld en dat B/T de toeslag voor (2014 en) 2015 stopte omdat uit de bewijsstukken onvoldoende bleek dat er recht op de toeslag bestond. Daarom kan de Commissie het in de schriftelijke beschouwing ingenomen standpunt van UHT dat voor toeslagjaar 2015 geen KOT is aangevraagd niet volgen. De Commissie adviseert UHT in de beslissing op bezwaar omtrent de stellingname van het ontbreken van een aanvraag voor 2015 een nadere motivering te geven.
Belanghebbende heeft in het kader van deze bezwaarprocedure verklaard dat de overeenkomst met de kinderopvanginstelling is gesloten tot 7 mei 2017, maar heeft verder niet met objectief verifieerbare stukken onderbouwd dat daadwerkelijk geregistreerde opvang werd afgenomen in 2015. Er zijn voor dit jaar bijvoorbeeld geen jaaropgaves bekend of bankoverschrijvingen overgelegd. Er is geen bezwaar aangetekend tegen de beslissing van B/T om de KOT te stoppen. De KOI-viewer bevat geen opvanggegevens en het bezwaardossier bevat ook overigens geen stukken waaruit aannemelijk wordt dat het standpunt van belanghebbende het voordeel van de twijfel behoort te krijgen. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in 2015 sprake is geweest van geregistreerde kinderopvang. Hierdoor werd niet voldaan aan de voorwaarden voor aanspraak op KOT en blijft toekenning van compensatie achterwege. Daarom is de Commissie van oordeel dat compensatie voor toeslagjaar 2015 wel terecht is afgewezen.
Met betrekking tot de overige afgewezen toeslagjaren 2016 tot en met 2019 blijkt niet dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd (hetgeen na de stopzetting van de KOT zoals bevestigd in de brief van B/T van 13 april 2015 wel had gemoeten) en is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het standpunt van UHT onjuist te achten.
Daarbij merkt de Commissie nog op dat het jongste kind van belanghebbende in februari 2017 de twaalfjarige leeftijd heeft bereikt. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond. Belanghebbende kan wel een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijke schade indienen. Zoals eerder aangegeven heeft de bezwaarschriftprocedure over integrale beoordelingsbesluiten alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade.
Beoordeling per jaar
Gemachtigde vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: ‘Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.’ (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele, niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde, stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.
Artikel 19 Awir
Gemachtigde stelt dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.
Registratie KOI
Gemachtigde heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling belanghebbende niet mag te worden tegengeworpen. De Commissie overweegt dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Informatie KOI-viewer
Gemachtigde stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Opzet/grove schuld (hierna: O/GS)
Met betrekking tot hetgeen gemachtigde stelt over de O/GS-kwalificatie, overweegt de Commissie dat uit pagina 1451 van het ouderdossier blijkt dat voor de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014 sprake is geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie. Op grond van artikel 2.6 lid 4 Wht toekenning van een O/GS-tegemoetkoming achterwege blijft als ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 Wht over hetzelfde berekeningsjaar. Nu belanghebbende is gecompenseerd voor de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014, bestaat geen aanspraak op een O/GS-tegemoetkoming voor deze jaren. Voor toeslagjaar 2011 is geen sprake van een onterechte O/GS-kwalificatie. Uit het LIC-overzicht voor toeslagjaar 2011 blijkt dat de terugvordering voor dat jaar deels is verrekend en belanghebbende twee betalingen van € 28 en één betaling van € 21 heeft gedaan. Er zijn geen aanknopingspunten dat sprake is van een geweigerde betalingsregeling. Voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2019 is geen KOT uitgekeerd en dus ook niet teruggevorderd. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.
Persoonlijk dossier
Gemachtigde stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
FSV-lijst
Met betrekking tot de opname op de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV-lijst) blijkt uit pagina 1455 van het ouderdossier dat belanghebbende niet op deze lijst heeft gestaan. De Commissie heeft geen aanwijzingen om hieraan te twijfelen. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bestreden besluit niet te herroepen en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter