BAC 2025-15497
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 10 september 2024 met kenmerk UHT-HD WS
Ontvangst bezwaarschrift: [dd-mm-jj]
Hoorzitting: 8 september 2025 om 10:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 13 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van
€ 19.449.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 november 2019 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005, 2007, 2008 en 2009.
- UHT heeft bij besluit van 1 maart 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft op 22 juni 2021 het verzoek van belanghebbende beoordeeld en aangegeven dat belanghebbende over het jaar 2009 geen recht heeft op compensatie.
- UHT heeft op 21 juli 2021 bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 37.945 voor de jaren 2005, 2007 en 2008.
- UHT heeft bij het definitieve besluit van 9 augustus 2021 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van in totaal € 37.993 voor de jaren 2005, 2007 en 2008.
- Belanghebbende heeft op 23 november 2022 verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
- De Commissie Werkelijke Schade (hierna CWS) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 augustus 2024 aan UHT toegestuurd.
- UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij het bestreden besluit aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 19.449.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 oktober 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 7 februari 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 8 mei 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaren.
- Op 8 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Gemachtigde en UHT hebben, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 10 en respectievelijk 17 september 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Toetsingskader
In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.
Na haar beoordeling of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, brengt CWS haar advies daarover uit aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarvan begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit volgt uit artikel 3:9 Awb.
UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als dit advies zelf de toereikende motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.
In een bezwaarprocedure als deze beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de hier bedoelde ‘vergewisplicht’. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. Als dit bezwaar inhoudt dat de aanvullende compensatie die UHT op basis van het advies van CWS wil toekennen te laag is, gaat de Commissie na op welk bedrag de ouder aanspraak heeft volgens het civiele schadevergoedingsrecht (zie artikel 2.1 lid 3 Wht). Is dat bedrag hoger dan het bedrag dat UHT heeft toegekend, dan zal de Commissie adviseren de compensatie daaraan aan te passen.
Beoordeling afwijzing aanvullende schadevergoeding (UHT-HD CWS)
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de volgende schadeposten:

De CWS bekijkt waar nodig per benoemde schadepost of deze daadwerkelijk schade is en zo ja, of die schade is veroorzaakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Pas als dat zo is, zal de CWS adviseren over de berekening van de schade. CWS heeft UHT geadviseerd om een aanvullende schadevergoeding aan belanghebbende toe te kennen van € 18.749, vermeerderd met € 700 voor het voeren van een procedure bij CWS aan de hand van de volgende berekening:

Niet herbeoordeelde toeslagjaren
Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat UHT ten onrechte de jaren 2003 en 2004 niet heeft meegenomen in de integrale beoordeling. In deze jaren zijn volgens belanghebbende de problemen met KOT begonnen. Volgens UHT vallen deze jaren buiten het toetsingskader van de Wht. De Wht is van toepassing vanaf
1 januari 2005.
De Commissie overweegt dat uit artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wht volgt dat herstel ziet op jaren dat de Wet kinderopvang (Wko) en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing waren. De wet Kinderopvang waarin het recht op KOT is geregeld, is op 1 januari 2005 in werking getreden en was vanaf dat moment van toepassing. De publicatiedatum van 30 oktober 2004 maakt dit niet anders. De publicatiedatum is immers niet de datum van inwerkingtreding. Ter zitting is dit incorrect naar voren gebracht. Dat betekent dat er voor de jaren 2003 en 2004 geen recht bestond op KOT. Het bezwaar kan dan ook niet tot de gewenste herbeoordeling leiden.
Vervangende opvangkosten
Belanghebbende stelt aan de hand van een berekening dat zij voor de periode 2003 tot en met 2010 recht heeft op een totaalbedrag van € 104.000 voor vervangende opvangkosten.
De Commissie overweegt dat de CWS alleen verzoeken tot schadevergoeding kan beoordelen voor de toeslagjaren waarvoor de ouder een definitieve compensatiebeschikking heeft gehad van UHT. Voor belanghebbende zijn dat de jaren 2005, 2007 en 2008. De CWS heeft voor deze jaren een vergoeding afgewezen.
Uit de stukken komt naar voren dat belanghebbende in de periode november 2007 tot en met mei 2008 heeft gewerkt en over deze periode recht had op KOT. Belanghebbende heeft de KOT aangevraagd en ontvangen. Daarmee had zij toegang tot reguliere opvang.
Echter, omdat haar dochter werd geweigerd bij de kinderopvanginstelling, bestond behoefte aan vervangende opvang. De CWS komt tot de conclusie dat belang-hebbende met de definitieve compensatiebeschikking is gecompenseerd voor de KOT die zij ten onrechte over deze periode moest terugbetalen. Met deze compensatie heeft belanghebbende alsnog de KOT ontvangen waarop zij recht had. Eventuele vervangende opvangkosten komen dan in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking. Alleen als deze kosten hoger zijn dan de kosten voor geregistreerde opvang kan belanghebbende schade hebben geleden. Belanghebbende heeft dit niet aangevoerd.
Voor de jaren 2005 en 2008 (juni tot en met december) is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende heeft gewerkt en (vervangende) opvang heeft genoten. Een vergoeding voor vervangende opvang is dan niet geboden.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten in het dossier gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.
Verletdagen en (reis)kosten
Belanghebbende betwist het toegekende compensatiebedrag van de CWS van
€ 1.100. Zij stelt recht te hebben op € 11.052 wegens reiskosten. De kosten van een jaarabonnement openbaar vervoer in 2010 bedroegen € 921 per jaar. Vermenigvuldigd met 12 jaar komt dat neer op € 11.052 in totaal. Ook verletdagen zouden in de berekening meegenomen moet worden.
De CWS erkent dat belanghebbende kosten heeft gemaakt als gevolg van de KOT-problematiek. De CWS hanteert voor kosten van vrije dagen voor regelzaken en (reis)kosten per huishouden een vaste vergoeding van € 300 per toeslagjaar waarvoor UHT compensatie heeft toegekend. CWS adviseert voor verletkosten in de drie toeslagjaren, 2005, 2007 en 2008, een aanvullende schadevergoeding van € 900 toe te kennen. Dit bedrag is inclusief (reis)kosten en wettelijke rente. De CWS hanteert daarnaast een vaste vergoeding van € 200 per huishouden per gevoerde procedure. De ouder heeft met betrekking tot het toeslagjaar 2005 bezwaar gemaakt. CWS adviseert daarvoor een aanvullende schadevergoeding van € 200 toe te kennen. Ook dit bedrag is inclusief (reis)kosten en wettelijke rente.
De Commissie is van oordeel dat de CWS daarmee, conform haar beleid, een passende vergoeding voor de verletdagen en (reis)kosten heeft toegekend voor de jaren 2005, 2007 en 2008. Feiten en omstandigheden die tot een afwijkend oordeel leiden zijn niet aannemelijk geworden. Voor toekenning van een vergoeding van € 11.052 voor reiskosten ziet de Commissie dan ook geen aanleiding. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.
Overige vermogensschade, kosten lening en verlies van inkomen
Belanghebbende stelt recht te hebben op een schadevergoeding voor:
- de gedwongen verkoop van het huis van haar moeder in 2003;
- het verlies van inboedel als gevolg van een tweetal woningontruimingen in 2005 en 2007 inclusief de daarmee gepaard gaande verhuis- en inrichtingskosten;
- de rente en/of bijkomende kosten van een geldlening van haar broer;
- het verlies van inkomen als gevolg van het kwijtraken van haar baan in 2008, te berekenen door een financieel expert.
Volgens belanghebbende begonnen de problemen met de KOT in 2003 en is er een causaal verband tussen deze schadeposten en de KOT-problematiek. De CWS heeft bovengenoemde schadeposten afgewezen vanwege het ontbreken van een causaal verband met de KOT-problematiek.
De CWS heeft haar oordeel gebaseerd op de stukken in het dossier en het advies van medisch adviesbureau [naam]), gedateerd op 21 februari 2024.
De Commissie constateert dat de problemen met de KOT begonnen in november 2007. Voor de stelling dat de problemen met de KOT begonnen in 2003 heeft de Commissie in het dossier geen aanknopingspunten gevonden.
De BD/T heeft op 27 november 2007 de KOT over het toeslagjaar 2005 onterecht op nihil gesteld. In november 2009 en april 2010 is de KOT over het toeslagjaar 2007 en vervolgens over het toeslagjaar 2008 onterecht op nihil gesteld. Belanghebbende moest in totaal € 15.245,- terugbetalen. In de periode oktober 2011 tot en met januari 2012 en februari 2013 tot en met januari 2015 heeft de ouder € 5.314,95 (inclusief rente en kosten) voldaan. Een groot deel van dit bedrag (€ 5.130,-) betrof dwangverrekening: het inhouden door de BD/T van bedragen op andere toeslagen (kindgebonden budget en huurtoeslag) en op de teruggave inkomstenbelasting.
Verder constateert de Commissie dat belanghebbende vanaf 2004 bekend was met complexe medische problematiek als gevolg van het opgroeien in een gezin met complexe gezinsproblematiek en traumatische (verlies)ervaringen. Dit uitte zich in psychosociale problemen zoals PTSS, stemmingswisselingen, angst voor mensen, onrust in het hoofd en moeite met slapen. Volgens het advies van medisch advies bureau [naam] “is het mogelijk dat de financiële problemen met de KOT hebben bijgedragen aan een verergering van psychische problemen van belanghebbende. Echter, over de mate hiervan is geen uitspraak te doen gezien de veelheid aan factoren die bijdragen en hebben bijgedragen aan de klachten, symptomen en problemen van de ouder.
De problemen met de KOT zijn een klein onderdeel van het grote geheel.”
De Commissie is van mening dat aangezien de problemen met de KOT begonnen in november 2007, het niet aannemelijk is dat er een causaal verband bestaat tussen de gedwongen verkoop van het huis van de moeder van belanghebbende in 2003, het verlies van inboedel als gevolg van een woningontruiming in 2005 en juni 2007 en de daarmee gepaard gaande verhuis- en inrichtingskosten.
De Commissie is van oordeel dat de conclusie van CWS op deze punten juist is.
Zij betreurt dat belanghebbende gedurende deze periode veel heeft meegemaakt en dat de gebeurtenissen een grote impact op haar hebben (gehad).
De CWS heeft over de geldlening van de broer van belanghebbende geconcludeerd dat schulden in de vorm van leningen, in beginsel geen schade vormen.
Daarom blijft een vergoeding achterwege. Belanghebbende heeft met het geld een andere schuld ingelost, namelijk de huurachterstand in 2020. Rente en kosten kunnen eventueel wel voor vergoeding in aanmerking komen, als aannemelijk is dat de lening is aangegaan door de problemen met de KOT. De ouder heeft niet verklaard dat zij rente of kosten over de lening heeft betaald.
De Commissie acht de conclusie van de CWS juist. De Commissie heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
Ten aanzien van het verlies van inkomen en inkomensderving stelt de Commissie vast dat belanghebbende bij een casino werkte van 1 december 2007 tot en met mei 2008. Volgens belanghebbende raakte zij haar baan kwijt omdat het casino van de B/T te horen had gekregen dat er beslag was gelegd op het inkomen van de ouder en dat de ouder als fraudeur te boek stond. Daarnaast was de KOT gestopt waardoor zij zelf haar dochter moest opvangen en niet meer kon werken.
Als gevolg van de opstapelende psychosociale problematiek door het handelen van de BD/T kon zij niet meer aan het werk, is zij ziek geworden en vervolgens arbeidsongeschikt verklaard.
De CWS heeft geconcludeerd dat de problemen met de KOT weliswaar (kort) voor het einde van het dienstverband van belanghebbende begonnen, maar dat geen sprake is van een loonbeslag door de BD/T in deze periode. Uit de overzichten van betalingen en/of verrekeningen van 2005, 2007 en 2008 blijkt dat de eerste onterechte verrekening door de BD/T op 25 oktober 2011 was. Dat is drieënhalf jaar na het ontslag van de ouder. De eerste aanmaning was op 12 februari 2013. Pas na een aanmaning en een dwangbevel kan er (loon)beslag worden gelegd. Volgens de CWS is de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de ouder in 2008 niet het gevolg geweest van de door gemachtigde gestelde mededeling van de BD/T aan de werkgever van de ouder.
De Commissie heeft in het dossier geen aanknopingspunten kunnen vinden die de stelling van belanghebbende ondersteunen. De conclusie van CWS acht de Commissie daarom niet onjuist.
De naar voren gebrachte gezondheidsklachten werden volgens de CWS niet veroorzaakt door de problemen met de KOT. De CWS komt tot deze conclusie omdat uit het medisch advies blijkt dat de gezondheidsklachten (PTSS, stemmingswisselingen, mensenvrees, moeite met slapen en onrust in het hoofd) al in 2004, dus voordat de problemen met de KOT in november 2007 begonnen, startten. Uit het medisch advies volgt dat het heel waarschijnlijk is dat belanghebbende zonder de problemen met de KOT de meeste beperkingen ook zou hebben gehad: beperkingen ten gevolge van medische klachten, problemen met werk, problemen met justitie en problemen met haar familie.
De Commissie overweegt dat het medisch advies duidelijk is wat betreft de oorzaak van de gezondheidsklachten: deze zijn niet veroorzaakt door de KOT-problematiek. Echter, uit het medisch advies volgt ook dat niet valt uit te sluiten dat de KOT-problematiek enige invloed had op de gezondheidsklachten. Het is mogelijk dat de psychische problemen die er al waren, door de KOT-problematiek zijn verergerd en dat bij minder financiële druk het verloop van de psychische problemen minder heftig was geweest.
De Commissie is van opvatting dat, gegeven de proportionele aansprakelijkheid die naar Nederlands schadevergoedingsrecht mogelijk is, het advies van CWS hiermee in strijd is. Immers valt volgens het medisch advies niet uit te sluiten dat de KOT-problematiek enige invloed heeft gehad op de gezondheidsklachten van belanghebbende, bijvoorbeeld in de vorm van verergering van reeds bestaande psychische problemen. De conclusie van CWS, dat de gezondheidsklachten niet werden veroorzaakt door de KOT-problematiek is in dat licht, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk en berust wellicht op de onjuiste rechtsopvatting dat proportionele aansprakelijkheid niet mogelijk is.
Aangezien het vorenstaande van invloed kan zijn op het advies van CWS, dat de gezondheidsklachten van belanghebbende – en daarmee haar arbeidsongeschiktheid - niet oorzakelijk zijn verbonden met de KOT-problematiek, adviseert de Commissie de zaak opnieuw aan CWS voor te leggen voor een aanvullend advies met inachtneming van hetgeen de BAC hiervoor heeft overwogen.
Uiteraard is het ook mogelijk dat UHT zelf alsnog een dragende motivering slaat onder de afwijzing van aansprakelijkheid, of een proportionele aansprakelijkheid erkent en daarvoor een passende vergoeding toekent Dat laatste zou dan kunnen gebeuren in overleg met belanghebbende en haar advocaat. De Commissie acht het bezwaar op dit punt gegrond.
Medische kosten
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van medische kosten van
€ 9.000,-(schade als gevolg van gezondheidsklachten door huidziekte vastgesteld in 1981, een buikoperatie in 2017, fysiotherapie 2023 en kosten beugel 2011).
De CWS heeft de kosten van een beugel (€ 3.500,-) gedeeltelijk toegewezen omdat zij aannemelijk acht dat belanghebbende door de onterechte verrekening door B/T op 25 oktober 2011 de kosten niet kon betalen doordat zij geen aanvullende verzekering kon afsluiten. Volgens belanghebbende is deze vergoeding te laag en zijn de controle afspraken in dit bedrag niet meegenomen. De Commissie constateert dat de CWS de kosten van de beugel inclusief wettelijke rente heeft vergoed. Hiermee is naar het oordeel van de Commissie rekening gehouden met eventuele andere kosten dan alleen het plaatsen van de beugel.
De overige medische kosten heeft de CWS afgewezen omdat zij op basis van het medisch advies en het dossier geen aanknopingspunten zag voor een causaal verband met de KOT-problematiek. De Commissie heeft ook geen aanknopingspunten in het dossier en het medisch advies gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Het bezwaar treft geen doel.
Kosten dwanginvordering
Belanghebbende is het niet eens met het toegekende bedrag van € 2.000,- voor de kosten van dwanginvordering. Tijdens de bezwaarprocedure heeft belanghebbende niet onderbouwd waarom zij het niet eens is met het toegekende bedrag. De Commissie heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat dit bedrag onjuist is. De enkele betwisting ervan is onvoldoende. Het bezwaar is ongegrond.
Strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur: zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende is van mening dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat het hoorgesprek met de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) is afgeraffeld en er tijdens het hoorgesprek onvoldoende juiste vragen zijn gesteld. Belanghebbende heeft onvoldoende haar verhaal naar voren kunnen brengen.
De Commissie is van opvatting dat alle op deze zaak betrekking hebbende stukken tijdig ter inzage zijn gelegd en dat belanghebbende de mogelijkheid heeft gehad om de bezwaargronden aan te vullen. Van deze mogelijkheid heeft belanghebbende ook gebruik gemaakt. Zij is aldus niet in haar procedurele belangen geschaad.
De Commissie adviseert om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren. Dit alles neemt echter niet weg dat de Commissie betreurt dat belanghebbende zich in de bezwaarprocedure niet gehoord voelt en zij onvoldoende aandacht voor haar zaak heeft ervaren.
Proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie gegrond. Hoewel het bezwaar in dit stadium niet leidt tot herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit, zie de Commissie aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen van een bezwaarschrift en bijwonen van de hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen (wegingsfactor twee).
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren;
- met betrekking tot de beoordeling van het verlies van inkomen en inkomensderving:
- opnieuw advies te vragen aan de CWS; of
- dit punt zelf af te doen door erkenning van de proportionele aansprakelijkheid en met belanghebbende in overleg te treden over een passende vergoeding; of
- een dragende motivering aan te leveren voor de afwijzing van de aansprakelijkheid;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van 2 procespunten met een wegingsfactor 2.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter