BAC 2025-15488
Publicatiedatum 23-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 3 september 2024 met kenmerk UHT-DCHOA
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 16 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskosten-vergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door de UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 3 september 2024, met kenmerk UHT-DCHOA.
Aan belanghebbende is, met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht), geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 28 april 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over 2010 en 2012. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is de beoordeling aangepast naar de jaren 2010 en 2011 (hierna: de betrokken jaren).
- UHT heeft bij beschikking van 27 juli 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft met de voorlopige beslissing integrale beoordeling kinderopvangtoeslag van 22 mei 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor compensatie.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 juli 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft met de beschikking van 3 september 2024, met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: de bestreden beschikking), aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de betrokken jaren.
- De gemachtigde heeft bij brief van 6 november 2024 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 20 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 7 oktober 2025 heeft de gemachtigde de gronden van het bezwaar verder aangevuld.
- Op 16 oktober 2025 heeft gemachtigde aangegeven dat belanghebbende afziet van bijwoning van de voor 18 november 2025 geplande hoorzitting en verzocht zij om schriftelijke afdoening.
- Op 12 november 2025 heeft gemachtigde een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
- Op 26 november 2025 heeft UHT gereageerd door middel van een aanvullende beschouwing.
- Op 9 december 2025 heeft gemachtigde per e-mail gereageerd op de aanvullende beschouwing.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal ingaan op de volgende bezwaargronden:
- De onderliggende stukken;
- De opzet/grove schuld (hierna: O/GS)-kwalificatie en opname op de FSV-lijst;
- Het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir);
- Sommige jaren wel en sommige niet vooringenomen gehandeld;
- Informatie uit de KOI-viewer;
- Bezwaarprocedure;
- Registratie van de kinderopvang.
Persoonlijk dossier (de onderliggende stukken)
Belanghebbende verzoekt in het kader van deze bezwaarprocedure om toezending van het volledige persoonlijke dossier.
Op grond van artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het bezwaar te beslissen verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan gemachtigde ter beschikking te stellen. In deze stukken zijn in ieder geval opgenomen: het SAS-rapport, Landelijke Incasso Centrum-overzichten (hierna: LIC-overzichten), RKT-bestanden van de jaren 2010 en 2011 en het ouderverhaal. De Commissie stelt vast dat gemachtigde op 12 februari 2025 en op 11 juni 2025 nogmaals in het bezit is gesteld van alle op de zaak betrekking hebbende stukken.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De O/GS-kwalificatie en opname op de FSV-lijst
Gemachtigde heeft aangevoerd dat de onderbouwing in de onderliggende stukken voor het ontbreken van een O/GS-kwalificatie onvoldoende is. Ook ontbreekt een onderbouwing voor de opname van belanghebbende op de FSV-lijst.
De Commissie acht het ontoereikend dat UHT enkel verwijst naar pagina 175 van de onderliggende stukken, waarin slechts de vaststelling van de O/GS-kwalificatie is opgenomen, zonder toelichting op hoe deze tot stand is gekomen. Indien hierover intern nadere informatie beschikbaar is, acht de Commissie het begrijpelijk dat belanghebbende behoefte heeft aan inzicht daarin. Vergelijkbaar hiermee is de vermelding van de opname van belanghebbende op de FSV-lijst, zoals blijkt uit pagina 24 van de onderliggende stuken.
De Commissie adviseert UHT in het besluit op bezwaar alsnog een duidelijke en begrijpelijke toelichting te geven op de wijze waarop de O/GS-kwalificatie is vastgesteld en waarom belanghebbende op de FSV-lijst is opgenomen, met — voor zover van toepassing — een verwijzing naar de onderliggende stukken waarop deze beslissingen zijn gebaseerd.
Het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Awir
De gemachtigde stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Awir destijds niet binnen 13 weken, en in ieder geval niet uiterlijk op 31 december volgend op het toeslagjaar, een beschikking tot toekenning heeft genomen. Ook is er geen kennisgeving in het dossier opgenomen waaruit blijkt dat niet binnen 9 maanden een definitieve beslissing kon worden genomen.
De Commissie is van oordeel dat deze bezwaargrond – wat daar verder ook van zij – buiten het bereik van deze bezwaarprocedure valt en laat deze daarom verder onbesproken. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Sommige jaren wel en sommige niet vooringenomen gehandeld
De Commissie overweegt dat bij de beoordeling van mogelijke vooringenomen-heid, discriminatie of onbillijke hardheid per toeslagjaar afzonderlijk moet worden gekeken naar de omstandigheden en besluitvorming in dat specifieke jaar.
Dat betekent dat een beoordeling over de aanwezigheid van vooringenomenheid kan verschillen per jaar, afhankelijk van de aard van de genomen besluiten en de maatregelen die toen van toepassing waren. Het is daarom niet vanzelfsprekend dat bevindingen in het ene jaar automatisch doorwerken naar andere jaren.
Elk toeslagjaar dient op zijn eigen merites te worden beoordeeld. Deze bezwaar-grond treft dan ook geen doel.
Informatie uit de KOI-viewer
Gemachtigde voert aan dat B/T voor de vaststelling van KOT zich niet blindelings mocht vertrouwen op de informatie uit de KOI-viewer.
De Commissie stelt op basis van de onderliggende stukken vast dat de vaststelling van de KOT over de jaren 2010 en 2011 niet is gebaseerd op informatie uit de KOI-viewer. De KOI-viewer heeft bij de vaststelling van de KOT geen rol gespeeld zodat deze bezwaargrond reeds daarom geen doel treft.
Bezwaarprocedure
Gemachtigde voert aan dat B/T niet altijd een beslissing op bezwaar nam na het indienen van een bezwaarschrift. Belanghebbende kon hiertegen dan geen rechtsmiddelen aanwenden. Deze wijze van afdoening wordt als vooringenomen aangemerkt.
De Commissie leidt uit de onderliggende stukken af dat belanghebbende tegen de beschikking van 16 februari 2012, waarbij de KOT op nihil is gesteld, wel heeft gereageerd met de brief van 20 februari 2012, die op 19 maart 2012 door B/T is ontvangen. Uit de inhoud van deze brief blijkt dat belanghebbende een betalingsregeling wilde treffen, waarbij werd voorgesteld om maandelijks € 50 terug te betalen. Uit het LIC-overzicht 2012 blijkt dat belanghebbende vier termijnen van € 50 heeft voldaan en dat een deel van het bedrag is verrekend met de huurtoeslag en zorgtoeslag. Het resterende bedrag, te weten € 5.402 is door B/T niet geïnd.
De Commissie is uit de onderliggende stukken niet gebleken dat B/T een bezwaarschrift – dan wel een brief – ten onrechte niet als zodanig heeft aangemerkt of dat daarop geen beslissing op bezwaar is genomen.
Belanghebbende heeft haar algemene stelling niet nader geconcretiseerd. Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond dan ook geen doel.
Registratie van de kinderopvang
Belanghebbende kan niet worden tegengeworpen dat gebruik is gemaakt van een niet geregistreerde kinderopvanginstelling (LRK-registratie). Dat verwijt kan wel aan B/T worden tegengeworpen.
Om in aanmerking te komen voor KOT is op grond van artikel 1.5, tweede lid, van de Wet kinderopvang vereist dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvanginstelling die geregistreerd is in het LRK-register. Daarbij kan van een aanvrager in het algemeen worden verlangd dat zij bij aanvang van de opvang enig onderzoek verricht. Verwacht mag worden dat belanghebbende daarbij onderzoek doet naar de LRK-registratie van de kinderopvanginstelling.
Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende wordt tegengeworpen dat gebruik is gemaakt van een kinderopvanginstelling die niet een geldige LRK-registratie bezit. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Toeslagjaren 2010 en 2011
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
UHT heeft geoordeeld dat belanghebbende over de betrokken jaren niet is gedupeerd, omdat geen sprake is van institutionele vooringenomenheid, hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie van opzet/grove schuld. UHT heeft dit standpunt nader onderbouwd in de schriftelijke reacties van 20 mei 2025 en 26 november 2025.
De Commissie stelt vast dat niet ter discussie staat dat het kind voor wie KOT werd verkregen op 23 april 2010 de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt. Hierdoor eindigde het recht voor KOT in 2009, namelijk het jaar waarin het kind 14 jaar werd. Daarnaast stelt de Commissie vast dat uit de gegevens in het dossier, waaronder de KOI-viewer, niet is gebleken dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van opvang over de toeslagjaren 2010 en 2011. De Commissie overweegt dat belanghebbende geen of onvoldoende feiten of omstandigheden heeft aangevoerd of aannemelijk heeft gemaakt waaruit blijkt dat zij wel recht had op KOT. De terugvordering van de KOT over deze periode was gelegen in een te hoog voorschot. De bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat geen sprake is van vooringenomen handelen.
Ook zijn in het bezwaar geen aanknopingspunten gevonden waaruit aannemelijk is geworden dat in deze periode sprake is geweest van bijzondere omstandigheden, zodat ook voor de toepassing van de hardheidscompensatie, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub b Wht, geen reden is.
Daarnaast stelt de Commissie vast dat uit het dossier niet is gebleken van een onterechte O/GS-kwalificatie. Op grond van het voorgaande onderschrijft de Commissie het standpunt van UHT dat belanghebbende voor 2010 en 2011 niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van deze herstelmaatregel.
De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Niet naar het CWS indien geen gedupeerde
Voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade komt in aanmerking (1) de ouder bij wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn/haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T, (2) de ouder die ten onrechte een kwalificatie opzet/grove schuld heeft gekregen en aan wie daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd of (3) de ouder aan wie ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en aan wie op grond van artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt. De Commissie is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen.
Daarom komt belanghebbende ook niet in aanmerking voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
Vergoeding proceskosten
Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar ongegrond is, belanghebbende geen recht heeft op vergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter