Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15481

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 juli 2024 met kenmerk UHT-DCHOA

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 23 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 17 juli 2024 met kenmerk UHT-DCHOA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het jaar 2009.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 15 september 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2019. Op 30 april 2024 is in onderling overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar het verzoek beperkt tot toeslagjaar 2009.
  • UHT heeft bij beschikking van 30 november 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een betaling van € 30.000.
  • UHT heeft met de beschikking van 13 juni 2024 belanghebbende op de hoogte gebracht dat zij voorlopig niet in aanmerking kan komen voor compensatie op grond van de drie herstelregelingen.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 juli 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende toeslagjaar 2009 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft met de bestreden beschikking van 17 juli 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: de bestreden beschikking) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor het jaar 2009.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 augustus 2024 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend. Gemachtigde heeft op 15 oktober 2025 de gronden van bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 7 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 16 oktober 2025 heeft gemachtigde aangegeven dat belanghebbende afziet van bijwoning van de voor 2 december 2025 geplande hoorzitting en verzocht zij om schriftelijke afdoening.
  • Op 1 december 2025 heeft gemachtigde een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 10 december 2025 heeft UHT gereageerd door middel van een aanvullende beschouwing.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal eerst ingaan op de volgende (algemene) bezwaargronden die door de gemachtigde zijn aangevoerd:

  • De onderliggende stukken;
  • De kwalificatie als opzet/grove schuld (hierna: O/GS) en FSV-check;
  • Het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir);
  • Onjuiste vaststelling van de KOT;
  • Vooringenomen handelen in sommige jaren, maar niet in andere jaren;
  • Gebruik van informatie uit de KOI-viewer;
  • De bezwaarprocedure;
  • Registratie van de kinderopvang.

De onderliggende stukken

Belanghebbende verzoekt in het kader van deze bezwaarprocedure om toezending van het volledige persoonlijke dossier, dan wel het ouderdossier.

Op grond van artikel 6:17 van de Awb is het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het bezwaar te beslissen verplicht om de op de zaak betrekking hebbende stukken – waaronder het informatie- en beoordelingsformulier met tijdlijn, de SAS-overzichten en RKT-bestanden van toeslagjaar 2009 in ieder geval aan de gemachtigde ter beschikking te stellen.

De Commissie stelt daarbij vast dat belanghebbende met de persoonlijk zaaksbehandelaar op 30 april, 2 mei en 1 juli 2024 telefonisch contact heeft gehad om het beoordelingsverzoek te bespreken. In het informatie- en beoordelingsformulier zijn deze gesprekken opgenomen onder het kopje gespreksverslag van het formulier.

De Commissie stelt vast dat de gemachtigde op 3 juni 2025 in het bezit is gesteld van de op de zaak betrekking hebbende stukken om een goede inhoudelijke herbeoordeling te kunnen uitvoeren.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikking niet inzichtelijk is gemotiveerd en op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking op uitvoerige wijze heeft gemotiveerd. Met de beschouwingen van 7 mei 2025 en 10 december 2025 heeft UHT een uitgebreide toelichting gegeven op de bezwaargronden van belanghebbende. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

O/GS-kwalificatie en FSV-check

De gemachtigde heeft aangevoerd dat de onderbouwing in de onderliggende stukken voor het ontbreken van een O/GS-kwalificatie onvoldoende is. Ook ontbreekt een toelichting met betrekking tot de FSV-check.

De Commissie acht het ontoereikend dat UHT enkel verwijst naar pagina 115 van de onderliggende stukken, waarin slechts wordt vastgesteld dat er geen sprake is van een O/GS-kwalificatie. Een toelichting op de wijze waarop tot deze conclusie is gekomen ontbreekt, waardoor een nadere uitleg wenselijk is. Indien hierover intern aanvullende informatie beschikbaar is, acht de Commissie het begrijpelijk dat belanghebbende behoefte heeft aan inzicht daarin.

Met betrekking tot de FSV-check merkt de Commissie op dat uit het informatie- en beoordelingsformulier (pagina 21 van de onderliggende stukken) blijkt dat belanghebbende niet op de FSV-lijst heeft gestaan. De Commissie is dan ook van mening dat UHT daarover geen onderliggende stukken hoeft te verschaffen omdat dergelijke (belastende) stukken er niet zijn.

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om in de beslissing op bezwaar alsnog een duidelijke en begrijpelijke toelichting te geven op de wijze waarop de O/GS-kwalificatie is vastgesteld.

Het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Awir

De gemachtigde stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Awir destijds niet binnen 13 weken, en in ieder geval niet uiterlijk op 31 december volgend op het toeslagjaar, een beschikking tot toekenning heeft genomen. Ook is er geen kennisgeving in het dossier opgenomen waaruit blijkt dat niet binnen negen maanden een definitieve beslissing kon worden genomen.

De Commissie is van oordeel dat deze bezwaargrond – wat daar verder ook van zij – buiten het bereik van deze bezwaarprocedure valt en laat deze daarom verder onbesproken. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Onjuiste vaststelling van de KOT

De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel in gevallen van vooringenomen handelen, onbillijke hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie, en niet ziet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Met de stelling dat aan belanghebbende niet de juiste bedragen aan KOT zijn betaald of toegekend, wordt feitelijk verzocht om terug te komen op eerdere toekenningen – en daarmee op de juistheid van de destijds definitief vastgestelde bedragen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht.

De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Sommige jaren wel en sommige niet vooringenomen gehandeld

De Commissie overweegt dat bij de beoordeling van mogelijke vooringenomenheid, discriminatie of onbillijke hardheid per toeslagjaar afzonderlijk moet worden gekeken naar de omstandigheden en besluitvorming in dat specifieke jaar. Dat betekent dat een beoordeling over de aanwezigheid van vooringenomenheid kan verschillen per jaar, afhankelijk van de aard van de genomen besluiten en de maatregelen die toen van toepassing waren. Het is daarom niet vanzelfsprekend dat bevindingen in het ene jaar automatisch doorwerken naar andere jaren. Elk toeslagjaar dient op zijn eigen merites te worden beoordeeld. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Informatie uit de KOI-viewer

De gemachtigde voert aan dat B/T zich bij de vaststelling van de KOT niet blindelings mocht verlaten op informatie uit de KOI-viewer.

De Commissie stelt op basis van de stukken in het dossier vast dat de vaststelling van de KOT over toeslagjaar 2009 niet is gebaseerd op informatie uit de KOI-viewer. De KOI-viewer heeft bij de vaststelling van de KOT geen rol gespeeld zodat deze bezwaargrond reeds daarom geen doel treft.

Bezwaarprocedure

Gemachtigde voert aan dat B/T niet altijd een beslissing op bezwaar nam na het indienen van een bezwaarschrift. Belanghebbende kon hiertegen dan geen rechtsmiddelen aanwenden. Deze wijze van afdoening wordt als vooringenomen aangemerkt.

De Commissie leidt uit de onderliggende stukken af dat belanghebbende tegen de nihilbeschikkingen van 8 september 2009 en 21 april 2011 geen bezwaar heeft aangetekend.

Belanghebbende heeft haar stelling dat na het indienen van een bezwaarschrift niet altijd een beslissing op bezwaar volgde, niet nader geconcretiseerd. Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond daarom geen doel.

Registratie van de kinderopvang

Belanghebbende kan niet worden tegengeworpen dat gebruik is gemaakt van een niet-geregistreerde kinderopvanginstelling (LRK-registratie). Dat verwijt kan wel aan B/T worden tegengeworpen.

Om in aanmerking te komen voor KOT is op grond van artikel 1.5, tweede lid, van de Wet kinderopvang vereist dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvanginstelling die geregistreerd is in het LRK-register. Daarbij mag in het algemeen van een aanvrager worden verwacht dat zij bij aanvang van de opvang enig onderzoek doet naar de LRK-registratie van de kinderopvanginstelling.

Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende wordt tegengeworpen dat gebruik is gemaakt van een kinderopvanginstelling die niet een geldige LRK-registratie bezit. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Toeslagjaar 2009

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

UHT heeft geoordeeld dat belanghebbende over toeslagjaar 2009 niet is gedupeerd, omdat geen sprake is van institutionele vooringenomenheid, hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie van opzet/grove schuld. UHT heeft dit standpunt nader onderbouwd in de schriftelijke reacties.

De Commissie stelt vast dat niet ter discussie staat dat belanghebbende over toeslagjaar 2009 geen KOT heeft ontvangen. Bij de aanvraag voor de KOT over toeslagjaar 2009 is niet gebleken dat belanghebbende voldeed aan de voorwaarden om KOT te ontvangen. De Commissie overweegt dat belanghebbende geen of onvoldoende feiten of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit blijkt dat zij over deze periode wel recht had op KOT. Ook neemt de Commissie hierbij in aanmerking dat uit de stukken blijkt dat belanghebbende op 28 oktober 2010 de KOT per 1 januari 2009 heeft stopgezet.

Gelet op het voorgaande acht de door UHT gegeven toelichting in de schriftelijke reactie van 7 mei 2025 en de aanvulling hierop in de beschouwing van 10 december 2025 navolgbaar. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat geen sprake is van vooringenomen handelen. Ook zijn in het bezwaar geen aanknopingspunten gevonden waaruit aannemelijk is geworden dat in deze periode sprake is geweest van bijzondere omstandigheden, zodat ook voor de toepassing van de hardheidscompensatie, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub b Wht, geen reden is. Daarnaast stelt de Commissie vast dat uit het dossier niet is gebleken van een onterechte O/GS-kwalificatie.

De Commissie ziet in het bezwaar geen aanknopingspunten om te oordelen dat belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie op grond van deze herstelmaatregel. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Niet naar het CWS indien geen gedupeerde

Voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade komt in aanmerking (1) de ouder bij wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn/haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T, (2) de ouder die ten onrechte een kwalificatie O/GS heeft gekregen en aan wie daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd of (3) de ouder aan wie ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en aan wie op grond van artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt.

De Commissie is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen. Daarom komt belanghebbende ook niet in aanmerking voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.

Proceskostenvergoeding

Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar ongegrond is, belanghebbende geen recht heeft op vergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter