Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15470

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 6 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHOA

Hoorzitting: 14 juli 2025 om 14:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 13 augustus 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2007.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 23 november 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2007.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 mei 2025 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 6 juni 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2007.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 juli 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 8 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 14 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het toeslagjaar 2006 af te wijzen.

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder het informatie- en beoordelingsformulier, de compensatieberekening, RKT-bestanden, LIC-overzichten - en andere producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Beoordeling afwijzing compensatie over het toeslagjaar 2006
Belanghebbende stelt dat over het toeslagjaar 2006 sprake is van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). B/T heeft de doorgegeven wijziging van belanghebbende dat haar kind per 1 juli 2006 van kinderopvanginstelling (hierna: KOI) zou wijzigen in verband met een verhuizing, ten onrechte opgevat als een stopzetting en deze als zodanig verwerkt. Belanghebbende betwist dat zij de KOT heeft stopgezet. Volgens haar is daar geen sprake van geweest, aangezien zij de opvang gedurende de maanden juli en augustus 2006 juist nodig had in verband met haar werk en daarom geen enkele intentie had om deze te beëindigen. Tijdens telefonisch contact met B/T over de stopzetting, zou B/T hebben aangegeven dat een correctie mogelijk was, echter werd aan belanghebbende medegedeeld dat de verwerking daarvan zes tot acht weken zou duren. Gedurende deze periode zou zij de kosten van de opvang zelf moeten dragen, hetgeen voor haar financieel niet haalbaar was. Belanghebbende heeft daarop besloten in de maanden juli en augustus 2006 geen gebruik te maken van kinderopvang. Als gevolg van de ontstane situatie heeft belanghebbende noodgedwongen haar andere twee zoons belast met de opvang van haar jongste zoon. Vanaf september 2006 werd de KOT weer toegekend. UHT betwist het standpunt van belanghebbende.

Volgens UHT heeft B/T over het jaar 2006 niet vooringenomen gehandeld. B/T heeft reguliere correcties doorgevoerd en deze conform geldende wet- en regelgeving verwerkt waarbij B/T is afgegaan op de gegevens zoals deze zijn doorgegeven door belanghebbende. Daarnaast is er sprake van evident geen recht op KOT omdat er in de maanden juli en augustus 2006 geen opvang is afgenomen.

De Commissie overweegt ten aanzien van de vooringenomenheid als volgt.
De Commissie hecht geloof aan hetgeen de ouder over de stopzetting en haar contacten daarover met B/T naar voren heeft gebracht. Er was voor haar ook geen reden om de KOT stop te zetten. Dat B/T geen gegevens over de gestelde contacten in de systemen heeft kunnen vinden, acht de Commissie niet doorslaggevend. Zij meent dat waarschijnlijk niet alle telefonische contacten tot vastleggingen in de systemen hebben geleid. De Commissie acht het daarom aannemelijk dat belanghebbende de KOT niet heeft stopgezet. De Commissie acht het veeleer aannemelijk dat B/T de doorgegeven wisseling van KOI in verband met een verhuizing, als stopzetting van de KOT heeft verwerkt.

Het maken van deze fout en het niet onmiddellijk rechtzetten daarvan na op de fout te zijn gewezen, merkt de Commissie aan als vooringenomen handelen jegens belanghebbende.

Het vooringenomen handelen van B/T heeft voor de ouder tot een zeer stressvolle situatie geleid. Zij kon geen opvang afnemen gedurende de maanden juli en augustus 2006 en zag zich, ter behoud van haar baan, genoodzaakt haar twee oudere kinderen te verplichten tijdens hun zomervakantie hun broertje op te vangen. De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende door B/T schade is toegebracht als gevolg van vooringenomen handelen jegens haar. De Wht biedt voor die schade echter geen compensatie of tegemoetkoming. Enerzijds omdat geen terugvordering van KOT heeft plaatsgevonden, anderzijds omdat belanghebbende gedurende de maanden waarop het schade toebrengende handelen van B/T betrekking heeft geen kinderopvang heeft afgenomen.
De Commissie adviseert UHT om, gelet op de toegezegde ruimhartige uitvoering van de hersteloperatie, met belanghebbende en haar advocaat in overleg te treden teneinde haar een passende tegemoetkoming toe te kennen voor de door haar en haar kinderen ondergane stress.

Proceskostenvergoeding
De Commissie adviseert om de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHOA gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en daarbij:

  • het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHOA te herroepen;
  • aan belanghebbende een passende vergoeding toe te kennen voor de door haar en haar kinderen ervaren stress en daartoe met belanghebbende en haar advocaat in overleg te treden.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter