BAC 2025-15467
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 15 januari 2024 (UHT-DCHO)
Overdracht advies aan UHT: 20 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 29.347 voor de jaren 2011 en 2012 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2013, 2014 en 2015
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 t/m 2015.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2013 en 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft op 29 augustus 2023 bij vooraankondiging met kenmerk UHT-VCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €28.415.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2013, 2014 en 2015 en een compensatie toegekend voor een bedrag van € 29.347 voor de jaren 2011 en 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 februari 2024, ingekomen op 23 februari 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 25 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 7 oktober 2025, ingekomen op 7 oktober 2025, het bezwaar aangevuld.
- Op 16 oktober 2025 heeft gemachtigde aangegeven geen gebruik te maken van de mogelijkheid het bezwaar tijdens een hoorzitting nader toe te lichten.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft het bezwaar behandeld en het volgende advies uitgebracht.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwingen en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (LIC) - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden besluiten behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan. De Commissie ziet daarom geen aanleiding de advisering in de onderhavige zaak aan te houden om nog nadere stukken aan het bezwaardossier te doen toevoegen.
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.
Werkelijke (immateriële) schade
In het bezwaarschrift heeft belanghebbende aangegeven dat het bestreden besluit onjuist is nu aan hem geen compensatie is toegekend die de door hem geleden schade dekt. Belanghebbende stelt dat hem een vergoeding in overeenstemming met zijn werkelijke schade dient te worden toegekend. Daarnaast heeft belanghebbende de Commissie verzocht zijn bezwaarschrift door te sturen aan de Commissie Werkelijke Schade.
De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van vaste (“forfaitaire”) vergoedingen. De Commissie heeft in de stellingen van belanghebbende geen aanleiding gevonden om te oordelen dat in dit geval het in de Wht neergelegde compensatiestelsel buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de werkelijke (im)materiële schade via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade en dat in alle fases van toekenning is voorzien in rechtsbescherming. Gebleken is dat belanghebbende zich al tot CWS heeft gewend.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de aan belanghebbende toekomende KOT, maar dat B/T dit niet heeft gedaan.
De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Tijdigheid van beslissingen
Belanghebbende stelt dat de termijn waarbinnen definitieve beschikkingen met betrekking tot niet door hem gespecificeerde toeslagjaren zijn afgegeven dermate lang zou zijn geweest dat hij op basis daarvan in aanmerking moet komen voor compensatie. Een (te) late definitieve vaststelling van de KOT maakt op zichzelf niet dat de handelwijze van B/T vooringenomen is of dat B/T het stelsel te hard heeft toegepast. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Hoogte van de KOT
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van (de gevolgen van) vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en geen betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.
Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Rentevergoeding gemiste KOT
UHT heeft ambtshalve vastgesteld dat component o van de compensatieberekening (toeslagrente) voor de toeslagjaren 2011 en 2012 onjuist is vastgesteld en heeft deze bedragen in een nieuwe compensatieberekening, die aan haar beschouwing is gehecht, herzien.
De Commissie neemt met instemming kennis van het standpunt van UHT om de compensatieberekening aan te passen waarbij voor het toeslagjaar 2011 € 881 en voor het toeslagjaar 2012 € 6.436 aan toeslagrente wordt vergoed. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en de compensatie opnieuw te berekenen en daarbij alle, volgens de Wht daarmee samenhangende vergoedingen, opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies.
Proceskostenvergoeding
Nu het bestreden besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van een procespunt (bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking van 15 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHO met betrekking tot het toeslagjaar 2011 en 2012 gegrond te verklaren, de beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Ook adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen. Ten slotte adviseert de commissie de bezwaren met betrekking tot de overige toeslagjaren ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter