BAC 2025-15457
Publicatiedatum 23-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 29 februari 2024 (UHT-DCHOA)
Overdracht advies aan UHT: 9 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2016, 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 9 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2016 en 2017.
In overleg met belanghebbende zijn de toeslagjaren 2016, 2018 en 2019 herbeoordeeld. - UHT heeft bij beschikking van 4 maart 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat zij nu niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
- UHT heeft bij voorlopige beschikking van 27 december 2023, met kenmerk UHT-VCH A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op één van de drie herstelregelingen.
- Gemachtigde heeft op 10 januari 2024 telefonisch en op 5 februari 2024 schriftelijk de zienswijze van belanghebbende op de voorlopige beschikking gegeven.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 20 februari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2016, 2018 en 2019.
- UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking inzake de beoordeling van de kinderopvangtoeslag van 29 februari 2024, kenmerk UHT-DCHOA, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een vergoeding ten aanzien van de toeslagjaren 2016, 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 28 maart 2024, ingekomen op 3 april 2024, tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 5 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 oktober 2025 het bezwaar aangevuld.
- Gemachtigde heeft de Commissie op 21 oktober geïnformeerd dat belanghebbende en gemachtigde niet (online) bij de geplande hoorzitting op 6 november 2025 aanwezig zullen zijn en daarbij verzocht om een extra schriftelijke ronde.
- De Commissie heeft gemachtigde op 23 oktober 2025 geïnformeerd dat zij niet akkoord gaat met het verzoek en daarbij het belang van een hoorzitting voor belanghebbende benadrukt. De Commissie heeft daarnaast medegedeeld dat wanneer belanghebbende en gemachtigde niet verschijnen de zaak op stukken zal worden afgedaan.
- De Commissie heeft gemachtigde en UHT op 3 november 2025 geïnformeerd dat de zaak op stukken zal worden afgedaan en dat het gemachtigde vrij staat alsnog nadere stukken in te dienen.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 november 2025 het bezwaar nogmaals aangevuld.
- UHT heeft, daartoe op 6 november 2025 door de Commissie verzocht, op 11 november 2025 per e-mail een nadere schriftelijke reactie ingediend. Deze is op 19 november 2025 ter informatie naar gemachtigde doorgestuurd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming ten aanzien van de toeslagjaren 2016, 2018 en 2019 af te wijzen.
Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen de beslissing op bezwaar van UHT, die volgt op het advies van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 5 juni 2025 naar de gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Dat belanghebbende de noodzaak voelt om haar persoonlijk dossier in handen te krijgen, begrijpt de Commissie en zij adviseert UHT daarom zich zoveel mogelijk in te spannen om het persoonlijk dossier aan belanghebbende te verstrekken. Tegelijkertijd is de Commissie van oordeel dat het niet hebben van het persoonlijk dossier belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe de beslissing tot stand is gekomen. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen en door belanghebbende bestreden besluit. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.
Motivering en zorgvuldigheid
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen. Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat de B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat de B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Herbeoordeling toeslagjaren 2016, 2018 en 2019
Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2016, 2018 en 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2016 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Zo was de KOT op 3 oktober 2016 stopgezet door belanghebbende per 5 september 2016. De terugvordering KOT over toeslagjaar 2018 was eveneens gelegen in het feit dat belanghebbende de KOT op 22 mei 2018 had stopgezet per 22 mei 2018. Belanghebbende heeft betoogd dat de KOT zowel ten aanzien van 2016 als 2018 door de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) is stopgezet.
Belanghebbende heeft haar standpunt niet nader onderbouwd. Van een stopzetting van de KOT door de KOI is op basis van de stukken in het dossier ook niet gebleken.
Bovendien heeft belanghebbende tegen de neerwaartse correcties ten gevolge van de stopzettingen geen bezwaar gemaakt en heeft zij evenmin kort daarna opnieuw KOT aangevraagd. Nu de B/T er van uit mocht gaan, dat belanghebbende de KOT zelf had stopgezet, was er geen reden voor de B/T om nader uitvraag te doen naar aanleiding van de stopzetting. Het feit dat later uit de KOI-viewer is gebleken dat er in 2018 na de datum van de stopzetting nog kinderopvang heeft plaatsgevonden maakt dit niet anders.
De KOT over het toeslagjaar 2019 is pas met de definitieve beschikking van 3 april 2024 neerwaarts gecorrigeerd op grond van contra-informatie uit de KOI-viewer. Dit betreft een reguliere wijziging. Bovendien hebben de herstelregelingen betrekking op handelingen van de B/T van vóór 23 oktober 2019. De definitieve beschikking KOT ten aanzien van 2019 is (ver) na die datum genomen.
Alle bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Ten overvloede merkt de Commissie hier nog op dat zij er vanuit gaat dat de niet-ingevorderde bedragen, zoals te zien op de LIC-overzichten, ook niet meer geïncasseerd zullen worden de B/T
Sommige jaren wel en sommige niet vooringenomen gehandeld
De Commissie overweegt dat bij de beoordeling van mogelijke vooringenomenheid, discriminatie of onbillijke hardheid per toeslagjaar afzonderlijk moet worden gekeken naar de omstandigheden en besluitvorming in dat specifieke jaar. Dat betekent dat een beoordeling over de aanwezigheid van vooringenomenheid kan verschillen per jaar, afhankelijk van de aard van de genomen besluiten en de maatregelen die toen van toepassing waren. Het is daarom niet vanzelfsprekend dat bevindingen in het ene jaar automatisch doorwerken naar andere jaren. Elk toeslagjaar dient op zijn eigen merites te worden beoordeeld. In onderhavige procedure is er geen sprake geweest van vooringenomen handelen door de B/T. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende voorkomt op de FSV-lijst. Uit het FSV-Informatieoverzicht, op pagina 379 en verder van het bezwaardossier, wordt duidelijk welke informatie in de FSV was opgenomen. Hieruit blijkt dat de gegevens op de FSV-lijst niet te maken hadden met de KOT of invloed hebben gehad op de beslissingen over de KOT. De Commissie laat deze bezwaargrond dan ook buiten beschouwing. Nu het belanghebbende nog niet duidelijk is wat de reden van opname op de FSV-lijst dan wel is geweest, adviseert de Commissie aan UHT om belanghebbende, voor zover mogelijk, in het besluit op bezwaar hierover nader te informeren.
O/GS
Belanghebbende heeft aangegeven dat zij de constatering, dat er geen sprake was van een onterechte kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS), nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken. Door UHT is verwezen naar productie 1300001, pagina 373, in het dossier waarin slechts de vaststelling te lezen is dat er geen sprake is geweest van de onterechte kwalificatie O/GS. De Commissie adviseert dat UHT in het besluit op bezwaar alsnog een toelichting geeft over de wijze waarop deze vaststelling heeft plaatsgevonden met, indien mogelijk, een verwijzing naar de hieraan ten grondslag liggende stukken.
Discriminatie
Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken niet gebleken.
Proceskosten
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter