Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15456

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 29 maart 2021 (UHT-DC I en UHT-B ABD)

Overdracht advies aan UHT: 14 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van €15.813,- voor de jaren 2014 en 2015. Dit bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot €30.000,-.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 29 mei 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 en 2015.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen van 29 maart 2021 met kenmerken UHT-DC I en UHT-B ABD aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van 15.813,- voor de jaren 2014 en 2015. Dit is aangevuld tot een bedrag van €30.000,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 5 februari 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 28 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 oktober 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Bij e-mailbericht van 29 oktober 2025 heeft gemachtigde laten weten dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord en in te stemmen met afdoening van het bezwaar op de stukken.
  • De Commissie heeft vervolgens, met toepassing van het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van het horen van belanghebbende afgezien.
  • Gemachtigde heeft 4 november 2025 een aanvullend bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 17 november 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
  • De Commissie heeft op 26 november 2025 aan partijen medegedeeld dat zij overgaat tot advisering.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2014 en 2015 op de juiste wijze heeft berekend.

Op de zaak betrekking hebbende stukken en het persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het persoonlijk dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt deze stelling van belanghebbende niet. De beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De compensatieberekening over toeslagjaren 2014 en 2015

Belanghebbende betoogt dat zij het oneens is met de compensatieberekening.

UHT erkent in de beschouwing dat de compensatieberekening onjuist is vastgesteld en heeft in de Bijlage compensatieberekening een nadere toelichting opgenomen. Zo is component d (in rekening gebrachte toeslagrente) voor 2014 ten onrechte op €0,-vastgesteld, terwijl dit €72,- had moeten zijn (zie pagina 109). Component e (de niet ontvangen of terugbetaalde KOT inclusief toeslagrente) is eveneens voor 2014 onjuist berekend op €5.479,-, waar dit €5.551,- had moeten zijn. Voor component f (het verschil met de laatst vastgestelde beschikking KOT inclusief uitbetaalde toeslagrente) geldt dat de bedragen van €5.479,- en €4.383,- onjuist waren en nu zijn gecorrigeerd naar respectievelijk €5.627,- en €0,-. Ook component h (materiële schade, 25% van e) was voor 2014 onjuist vastgesteld op €1.370,- en wordt gecorrigeerd naar €1.388,-.

Daarnaast is de vergoeding voor immateriële schade (component n) onjuist vastgesteld op €5.500,-. Hierbij is de gehanteerde startdatum van 21 augustus 2015 aangepast naar 26 augustus 2015, en de einddatum van 22 januari 2021 naar 29 maart 2021, zijnde de dagtekening van de definitieve compensatiebeschikking (pagina 49).

Op basis van deze juiste periode wordt de vergoeding berekend over 12 halve jaren (12 x €500,- = €6.000,-). Dit bedrag mag echter niet hoger zijn dan het bedrag onder component e (€5.551,-).

Verder wordt component o (rente over gemiste KOT) herzien, waarbij de juiste startdata 1 juli 2015 en 1 juli 2016 zijn, en de einddatum zal doorlopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar. In lijn hiermee wordt component p (aanvullende vergoeding van 1%) aangepast. Tot slot wordt component q (eerder ontvangen bedragen) vastgesteld op €30.000,-, zijnde het bedrag dat belanghebbende reeds aan compensatie heeft ontvangen. Tenslotte stelt UHT zich op het standpunt dat belanghebbende zich kan wenden tot de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) indien zij meent dat zij meer schade heeft geleden.

Gemachtigde heeft in het aanvullend bezwaarschrift van 4 november 2025 aangegeven dat de verbeteringen in de compensatieberekening voor kennisgeving worden aangenomen. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal UHT dienovereenkomstig adviseren.

Vergoeding voor juridische hulp voor 2014 en 2015

In het aanvullend bezwaarschrift van 4 november 2025 stelt gemachtigde dat belanghebbende op 7 februari 2018 een advocaat heeft ingeschakeld (pagina’s 327 en 331). In redelijkheid dient voor beide jaren een vergoeding voor de juridische hulp te worden toegekend, aldus gemachtigde.

UHT stelt zich in de aanvullende beschouwing op het standpunt dat de brieven waar belanghebbende naar verwijst geen bezwaarschriften, beroepschriften of hoorzittingen zijn en dat op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen recht bestaat op een vergoeding voor verleende rechtsbijstand.

De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT zoals verwoord in de aanvullende beschouwing. Gelet hierop stelt de Commissie vast dat de brieven waar belanghebbende naar verwijst niet kunnen worden aangemerkt als bezwaarschriften, beroepschriften of andere proceshandelingen in het kader van een bezwaar-, beroeps- of hoger beroepsprocedure, noch dat sprake is geweest van het verschijnen ter hoorzitting of zitting. Daarmee is geen sprake van proceshandelingen als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Nu dit besluit uitsluitend voorziet in een vergoeding van kosten die zijn gemaakt in verband met een dergelijke procedure, bestaat geen recht op vergoeding van kosten voor verleende rechtsbijstand.

FSV, O/GS en discriminatie

Gemachtigde stelt in het aanvullend bezwaarschrift van 4 november 2025 dat over de O/GS-kwalificatie en discriminatie geen algemene informatie te vinden is in het dossier. Ten aanzien van de FSV-check stelt gemachtigde dat dit een vast onderdeel betreft van het herstelproces en dat de onderliggende stukken overgelegd dienen te worden.

De Commissie stelt vast dat uit de nadere beschouwing van UHT blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Hiervan heeft UHT een afschrift overgelegd (productie 2700001).

Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

De Commissie overweegt ten aanzien van de O/GS dat UHT in de beschouwing, onder verwijzing naar productie 1300000, heeft toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en heeft gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is deze stelling van belanghebbende niet aannemelijk geworden. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Ten aanzien van het beroep op discriminatie overweegt de Commissie dat van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, uit de ter beschikking staande stukken, de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden en uit de nadere beschouwing van UHT niet is gebleken.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende stelt dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar.

Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, die niet zijn aangevoerd, noch gebleken, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

Werkelijk geleden schade

Belanghebbende stelt dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. Hoewel de Commissie hier begrip voor heeft, overweegt zij dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 1 procespunt (bezwaarschrift zonder hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de compensatieberekening conform de Bijlage compensatieberekening aan te passen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter