BAC 2025-15450
Publicatiedatum 31-03-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 februari 2023 (UHT-DCHA)
Overdracht advies aan UHT: 28 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de
proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 23 februari 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2006 tot en met 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 januari 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar heeft de beoordeling plaatsgevonden over de jaren 2006 tot en met 2013.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 december 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelstel.
- UHT heeft bij primair besluit van 23 februari 2023 met kenmerk UHT-DCHA (hierna: “het bestreden besluit”) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2013.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 november 2023, ingekomen op diezelfde datum, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 14 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 oktober 2025 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
- Gemachtigde heeft voorts in een e-mailbericht van 23 oktober 2025 aan de Commissie laten weten dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord. Gemachtigde heeft verzocht om in plaats van een hoorzitting een schriftelijke ronde in te lassen.
- De Commissie heeft in een e-mailbericht van 19 november 2025 aan gemachtigde en UHT laten weten dat de hoorzitting wordt geannuleerd en dat in plaats daarvan een schriftelijke ronde volgt. Tevens is in dat bericht aan gemachtigde een termijn tot 26 november 2025 (dus uiterlijk 25 november 2025) gegeven voor het indienen van nadere bezwaargronden.
- Gemachtigde heeft in een brief van 26 november 2025 de gronden van het bezwaar aangevuld. Omdat dit buiten de hiervoor genoemde termijn is gedaan, zal de Commissie dit stuk buiten beschouwing laten.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Persoonlijk dossier
Belanghebbende heeft verzocht om haar (volledige) persoonlijk dossier.
De Commissie overweegt dat de schriftelijke beschouwing en onderliggende stukken op 3 juni 2025 aan gemachtigde zijn toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier of ouderdossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende door deze gang van zaken in haar processuele belangen is geschaad. De namens belanghebbende in dit verband naar voren gebrachte bezwaargronden kunnen daarom niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. Dit betekent dat de Commissie UHT adviseert om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Geen oudergesprek in bijzijn van gemachtigde
Belanghebbende heeft aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt wat zich destijds heeft afgespeeld en dat geen oudergesprek heeft plaatsgevonden, althans niet in het bijzijn van gemachtigde.
De Commissie stelt vast dat in het informatie- en beoordelingsformulier (pagina 17 e.v. bezwaardossier) een verslag is opgenomen van oudergesprekken die plaatsvonden op 28 oktober en 2 november 2022 met de persoonlijk zaakbehandelaar. Dat het oudergesprek in het bijzijn van gemachtigde moet plaatsvinden is geen daaraan te stellen vereiste. Verder zijn in het dossier enkele e-mailberichten van belanghebbende en haar dochter opgenomen (pagina 39 e.v. bezwaardossier) waaruit het persoonlijk relaas van belanghebbende blijkt. Deze bezwaargrond kan gelet hierop niet slagen.
Beslistermijn aanvraag KOT
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan.
De Commissie is van mening dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt. Zij laat het daarom verder onbesproken.
Toetsing van alle voorschot- en definitieve beschikkingen
Gemachtigde heeft aangevoerd dat UHT zijn beoordeling niet alleen dient te beperken tot neerwaartse bijstellingen en nihilstellingen. UHT dient volgens haar ook te beoordelen of de KOT over enig toeslagjaar juist is vastgesteld.
De Commissie overweegt dat de Wht geen herziening van onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen van de KOT beoogt. De regeling heeft niet tot doel alsnog (een hoger bedrag aan) KOT uit te keren, maar richt zich op de compensatie van ten onrechte teruggevorderde of niet toegekende KOT. Voor zover het bezwaar van belanghebbende zich richt op (de aantasting van) onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen, gaat de Commissie hieraan voorbij. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Afwijzing compensatie
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2013 af te wijzen.
De Commissie overweegt dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht voor een compensatie in aanmerking komt de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.
Toeslagjaren 2006 tot en met 2009
De Commissie overweegt dat haar uit de dossierstukken niet is gebleken dat over de jaren 2006 tot en met 2009 KOT is aangevraagd, toegekend of teruggevorderd.
Belanghebbende komt daarom over deze jaren niet in aanmerking voor compensatie op grond van een herstelmaatregel. Deze bezwaargrond kan daarom niet slagen.
Toeslagjaren 2010 tot en met 2013
Voor wat betreft de toeslagjaren 2010 tot en met 2013 heeft UHT (onder meer) in haar beschouwing erkend dat sprake is geweest van vooringenomen handelen jegens belanghebbende. Evenwel, omdat niet, met stukken, is onderbouwd dat belanghebbende in die jaren gekwalificeerde opvang heeft afgenomen en evenmin is onderbouwd dat belanghebbende werkte dan wel anderszins doelgroeper was, heeft zij volgens UHT geen recht op compensatie.
De Commissie overweegt dat op grond van de voorhanden zijnde stukken niet is gebleken dat belanghebbende gekwalificeerde opvang heeft afgenomen en dat daarvoor kosten zijn gemaakt. Daarover zijn geen concrete aanknopingspunten (jaaropgaven, facturen etc.) beschikbaar. Daarbij komt dat evenmin aanknopingspunten zijn gevonden dat belanghebbende werkte, een opleiding volgde of een re-integratietraject volgde.
Belanghebbende heeft in het ouderverhaal wel verklaard dat zij heeft gewerkt en ook enkele namen van werkgevers genoemd, maar een (begin van een) onderbouwing daarvan ontbreekt. Bovendien heeft zij niet concreet gemaakt in welke periode zij bij die werkgevers werk heeft verricht.
Verder blijkt uit het overgelegde zogeheten FLG-overzicht over de jaren 2012 en 2013 (pagina 339 en 341 bezwaardossier) niet dat belanghebbende in die jaren heeft gewerkt omdat in die overzichten enkel staat “Gemeente Rotterdam” en uit de voorhanden gegevens niet blijkt dat dit haar werkgever is geweest.
Kortom, er is sprake van ‘evident geen recht’ op KOT om welke reden belanghebbende geen recht op compensatie heeft. Dit bezwaar kan daarom niet slagen.
Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze geen doel treffen of niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding voor de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter