Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15445

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 26 maart 2020 en 5 juni 2024 (T-C DR CAF-11 CB 2 en
UHT-DCH CAF 11 NJ)

Overdracht advies aan UHT: 9 december 2025

Samenvatting

De Commissie adviseert om het bezwaar tegen de beschikking van 5 juni 2024 met kenmerk UHT-DCH CAF 11 NJ gegrond te verklaren, die beschikking te herroepen, opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies, aan belanghebbende ter zake van dat bezwaar een proceskostenvergoeding toe te kennen en het bezwaar tegen de beschikking van 26 maart 2020 ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van in totaal € 71.550 voor de jaren 2012, 2013 en 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 1 juni 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2020. Nadien is dit gewijzigd in de jaren 2012, 2013 en 2014.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 26 maart 2020 met kenmerk T-C DR CAF-11 CB 2 aan belanghebbende compensatie van € 39.691 toegekend voor de jaren 2012 en 2014 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2013.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 10 april 2024 met kenmerk UHT-VCH CAF 11 NJ aan belanghebbende een compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2013. Voorts is een aantal componenten verhoogd voor de toeslagjaren 2012 en 2014. Belanghebbende heeft een aanvullend bedrag ontvangen van € 31.475.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 5 juni 2024 met kenmerk UHT-DCH CAF 11 NJ aan belanghebbende een aanvullend bedrag toegekend van € 384 voor de jaren 2012, 2013 en 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 12 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de beschikking met kenmerk en UHT-DCH CAF 11 NJ .
  • Gemachtigde heeft bij brief van 16 oktober 2025 het bezwaarschrift aangevuld en tevens bezwaar ingediend tegen de beschikking met kenmerk T-C DR CAF-11 CB 2.
  • UHT heeft op 10 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 23 oktober 2025 heeft gemachtigde namens belanghebbende medegedeeld geen gebruik te willen maken van het recht om gehoord te worden en dat de zaak op stukken kon worden afgedaan. De hoorzitting van 20 november 2025 heeft om deze reden geen doorgang gevonden.
  • Gemachtigde heeft op 20 november 2025 een nadere schriftelijk reactie ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Geen persoonlijk dossier/onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. Voorts stelt belanghebbende dat het bezwaardossier onvolledig is en verzoekt om diverse aanvullende stukken, waaronder onder andere documenten uit de door de voormalige advocaat gestarte bezwaarprocedure, informatie over CAF-onderzoeken, de ingediende zienswijzen en een ‘leesbare’ versie van de definitieve compensatieberekening.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.

Ten aanzien van de definitieve compensatieberekening merkt de Commissie daarnaast op dat belanghebbende zelf een kopie van dit stuk heeft meegestuurd met haar voorlopige bezwaarschrift. De Commissie gaat er daarom van uit dat zij reeds over een leesbare versie van dit document beschikte. Voor wat betreft de overige stukken waarvan belanghebbende overlegging heeft verzocht, geldt dat de Commissie zich voldoende geïnformeerd acht en dat zij overlegging van die stukken voor de beoordeling van dit bezwaar niet noodzakelijk acht. Voorts is belanghebbende reeds volledig gecompenseerd over de voorliggende jaren, zodat zij geen verder procesbelang heeft bij overlegging van bedoelde aanvullende stukken. Niettemin acht de Commissie het wenselijk dat UHT – voor zover zij over deze stukken beschikt – deze alsnog aan belanghebbende doet toekomen.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Motivering van de beschikking
Volgens belanghebbende is onvoldoende helder en begrijpelijk aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt hoe de verschillende onderdelen van de compensatieberekening zijn opgebouwd. Voor zover de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid of gemotiveerd, heeft UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken hersteld met wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022,
36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de vaststelling dat een toeslagouder gedupeerd is automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie moet daarom per jaar opnieuw worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of van bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Daar komt bij dat belanghebbende voor alle in deze procedure aan de orde zijnde jaren compensatie is toegekend. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om gegevens in de viewer in te vullen.

De Commissie gaat er in beginsel van uit dat B/T en UHT mochten uitgaan van de informatie van de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.

Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beslissen op bezwaar
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het niet beslissen op bezwaren die in de herbeoordeelde jaren door belanghebbende zijn gemaakt, vooringenomen handelen oplevert. De Commissie stelt vast dat een dergelijke situatie zich in het geval van belanghebbende niet heeft voorgedaan en adviseert daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

FSV-lijst, O/GS en discriminatie
Belanghebbende stelt dat de conclusies van UHT dat zij op de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) lijst heeft gestaan, dat zij op goede gronden niet voor een O/GS-tegemoetkoming in aanmerking is gebracht en dat er geen sprake is geweest van discriminatie, niet worden onderbouwd met stukken.

FSV-lijst
Belanghebbende wil weten of, en zo ja, welke gevolgen het heeft gehad dat zij op de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) lijst heeft gestaan. De Commissie merkt op dat UHT zelf niet voldoende bevoegdheden heeft om de door de belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken.
De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond. De Commissie adviseert UHT wel om in de beslissing op bezwaar op een passende wijze te informeren over hoe en waar belanghebbende deze informatie zou kunnen verkrijgen.

O/GS
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar een aanvullende productie, toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Belanghebbende heeft alleen al geen recht op een O/GS tegemoetkoming omdat zij volledig is gecompenseerd. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Discriminatie
Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken en uit de schriftelijke beschouwing van UHT niet gebleken.

Toeslagjaar 2012 (component a)
Belanghebbende stelt dat in de compensatieberekening voor het toeslagjaar 2012 ten onrechte onder component a een bedrag van € 7.767 is opgenomen, terwijl dit € 18.510,36 zou moeten zijn.

Op grond van artikel 2.2 onderdeel a en artikel 2.3 lid 1 van de Wht wordt component a vastgesteld op het bedrag dat als een direct gevolg van een vooringenomen handeling/hardheid niet is toegekend of is teruggevorderd, vermeerderd met de in rekening gebrachte toeslagrente. Gelet hierop volgt de Commissie UHT in haar standpunt dat uit moet worden gegaan van de beschikking van 29 december 2012, waarin de KOT over het toeslagjaar 2012 is vastgesteld op een bedrag van € 7.767. Dit is de laatste beschikking voorafgaand aan de stopzetting van de KOT door B/T met ingang van 16 oktober 2015.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om op dit punt ten aanzien van belanghebbende anders te oordelen en adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Rentevergoeding gemiste KOT (component o)
In haar schriftelijke beschouwing stelt UHT dat de berekeningen van de rentevergoeding over gemiste KOT voor de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014 niet correct zijn. UHT is uitgegaan van een verkeerde startdatum, die op grond van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir)
1 juli van het jaar volgend op het desbetreffende toeslagjaar moet zijn.
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat het hanteren van een verkeerde startdatum noopt tot aanpassing van het bestreden besluit.
Derhalve adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en de rentebedragen aan te passen overeenkomstig het gestelde in de schriftelijke beschouwing.

Immateriële schadevergoeding (component n)
Belanghebbende stelt dat de ingangsdatum van de vergoeding voor immateriële schade, 13 januari 2014, onjuist is. Dit had 1 oktober 2012 moeten zijn, omdat de KOT toen eenzijdig werd stopgezet door B/T op grond van informatie die de KOI zou hebben verstrekt zonder dat B/T enige uitvraag bij belanghebbende zelf had gedaan.

Op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht dient de ingangsdatum van de vergoeding voor immateriële schade te worden gesteld op de dagtekening van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening die een direct gevolg is van vooringenomen handelen of hardheid van B/T.

Op 1 oktober 2012 heeft belanghebbende een brief ontvangen waarin is meegedeeld dat de KOT met ingang van 1 mei 2012 was stopgezet. Reden hiervoor was dat B/T van de kinderopvanginstelling had vernomen dat belanghebbende geen gebruik meer maakte van opvang. Uit het LIC-overzicht van het toeslagjaar 2012 blijkt dat de kinderopvanginstelling een bedrag van ruim
€ 8.655 aan KOT heeft terugbetaald aan B/T. Dit ondersteunt de conclusie dat na
1 mei 2012 daadwerkelijk geen opvang meer heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat 1 oktober 2012 niet als juiste startdatum voor de vergoeding voor immateriële schade kan worden aangemerkt. De in de brief van 1 oktober 2012, waarop belanghebbende doelt, aangekondigde stopzetting was immers niet het gevolg van vooringenomen handelen door B/T. Daarom adviseert de Commissie de door UHT gehanteerde en in de schriftelijke beschouwing toegelichte ingangsdatum te hanteren.

Echter, omdat het bezwaar gezien het voorgaande deels gegrond is, adviseert de Commissie UHT, zoals ook door UHT wordt aangevoerd in de schriftelijke beschouwing, de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar.

Aanvullende vergoeding van 1 procent (component p)
Het advies van de Commissie om de compensatieberekening op de componenten n en o aan te passen, leidt ertoe dat ook de aanvullende vergoeding van 1 procent over een aldus gewijzigd subtotaal moet worden berekend in de beslissing op bezwaar.

Werkelijke schade
Belanghebbende stelt dat zij meer schade heeft geleden dan het in de definitieve compensatiebeschikking toegekende bedrag. Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in Home | Schadeherstel Toeslagen.

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gegrond is, adviseert de Commissie belanghebbende om proceskosten toe te kennen, uitgaande van één punt tegen het maximale tarief.

Conclusie

Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:

  • het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-C DR CAF-11 CB 2 ongegrond te verklaren;
  • het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH CAF 11 NJ gegrond te verklaren, die beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies in die zin dat in ieder geval:
    • de rentevergoeding gemiste KOT (component o) over de toeslagjaren 2012, 2013 en 2014 berekend wordt vanaf de juiste ingangsdatum;
    • de vergoeding voor immateriële schade (component n) berekend wordt tot aan de datum van de beslissing op bezwaar en in het verlengde daarvan de aanvullende vergoeding van 1 procent van het subtotaal van het compensatiebedrag (component p) aangepast wordt;
  • een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor deze bezwaarprocedure uitgaande van één punt.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter