BAC 2025-15416
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 15 januari 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 15 december 2025 om 13:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 9 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 15 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHO. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 168.911,- voor de jaren 2009, 2011, 2012 en 2014 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2008, 2010 en 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 29 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en meet 2013. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit uitgebreid met toeslagjaar 2014.
- UHT heeft bij besluit van 8 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 168.911,- voor de jaren 2009, 2011, 2012 en 2014 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2008, 2010 en 2013.
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 januari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 13 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 15 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 16 januari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 28 januari 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2009, 2011, 2012 en 2014 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2008, 2010 en 2013 af te wijzen. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen is besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.
Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel zijn geschonden. Zonder volledig dossier is het voor haar niet inzichtelijk hoe UHT tot de weigering van compensatie heeft besloten.
UHT heeft het dossier en een schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen. Op de hoorzitting heeft belanghebbende bovendien de mogelijkheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.
De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit voldoende heeft toegelicht. Door het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” (hierna: LIC) en de overige producties is het bestreden besluit voldoende onderbouwd. Bij de hoorzitting zijn verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gekomen op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het door UHT overgelegde dossier incompleet is of aangevuld zou moeten worden.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie/beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen”, is op 23 juli 2025 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op het bezwaar betrekking hebbende stukken.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
In haar bezwaar voert belanghebbende aan dat zij in de problemen is gekomen door de automatische continuatie van de KOT in de toeslagjaren 2009, 2011 en 2012. Volgens belanghebbende heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) destijds onzorgvuldig gehandeld en dient de B/T ouders die KOT ontvangen te beschermen voor liquiditeitsproblematiek vanwege eventuele terugbetalingen en (latere) verrekeningen.
Het is voor de Commissie duidelijk dat de B/T destijds op basis van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) de KOT automatisch heeft verlengd. In artikel 15 lid 5 Awir staat dat een aanvraag voor KOT wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende toeslagjaren. Als een ouder KOT aanvraagt voor een bepaald toeslagjaar, dan is dat automatisch ook een aanvraag voor daaropvolgende toeslagjaren. Op grond van artikel 15 lid 6 Awir mag B/T de automatische verlenging van KOT voor opvolgende toeslagjaren ook niet zomaar stoppen.
Indien voor een ouder die KOT heeft aangevraagd bepaalde omstandigheden wijzigen – bijvoorbeeld meer of minder opvanguren worden afgenomen; een wijziging van het opvangtarief; een lager of hoger toetsingsinkomen – dan is die ouder gehouden zelf deze gewijzigde omstandigheden door te geven aan B/T. Op grond van artikel 15 lid 2 Awir dient de aanvrager van KOT de voor de beslissing op de aanvraag benodigde informatie duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te verstrekken. Uit artikel 17 Awir volgt dat, indien een voorschot op de tegemoetkoming is verleend en er een relevante wijziging optreedt in de omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming, de belanghebbende is gehouden die wijziging door te geven.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Geen vooringenomen handelen of hardheid
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de aanpassingen van de KOT voor de toeslagjaren 2008 en 2010 zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen en toegezonden jaaropgaven, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.
Voor toeslagjaar 2008 geldt bovendien dat de KOT niet is verlaagd en dat er geen KOT is teruggevorderd door de B/T.
Voor toeslagjaar 2010 geldt dat de verlaging van KOT is gebaseerd op een achteraf hoger vastgesteld definitief toetsingsinkomen. Dit is een reguliere wijziging.
B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders die in het systeem van de Belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2008 en 2010 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De aanpassing van de KOT voor toeslagjaar 2010 was gelegen in een te hoog voorschot dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstelling is conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in dit geval anders te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De KOT is na de vooringenomen stopzetting in toeslagjaar 2012 niet automatisch verlengd naar toeslagjaar 2013. Belanghebbende heeft eind 2012 een nieuwe aanvraag voor KOT ingediend per 1 januari 2013 en de B/T heeft op dit verzoek gereageerd door te vragen om informatie waaruit het recht op KOT van belanghebbende zou blijken.
Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat zij destijds op de uitvraagbrieven van B/T heeft gereageerd en voldoende gegevens heeft aangeleverd waaruit het recht op KOT zou moeten blijken. In haar reactie op de aanvullende beschouwing van UHT na de hoorzitting, heeft belanghebbende echter gesteld dat de brieven waar belanghebbende niet op gereageerd heeft, ook daadwerkelijk verzonden zijn. De Commissie volgt belanghebbende niet in deze laatste argumentatie. UHT heeft niet gesteld dat belanghebbende niet zou hebben gereageerd. UHT heeft gesteld dat de informatie die belanghebbende destijds aan B/T heeft gestuurd als reactie op de informatieverzoeken niet voldoende was om haar recht op KOT vast te kunnen stellen.
Na bestudering van de stukken in het dossier, maakt de Commissie op dat belanghebbende de informatieverzoeken van B/T destijds heeft ontvangen. Op grond van artikel 18 lid 1 Awir dient een belanghebbende desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die van belang voor de aanvraag kunnen zijn te verstrekken. Bij het uitblijven van een toereikende reactie mag B/T de hoogte van het voorschot herzien en indien bij B/T niet genoeg gegevens bekend zijn waaruit de aannemelijkheid van een recht op KOT blijkt, kan op basis van artikel 18 lid 4 samen met artikel 16 lid 4 Awir het voorschot worden vastgesteld op nihil.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de nihilstelling van de KOT over toeslagjaar 2013 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De vaststelling van het voorschot op nihil is conform de wet uitgevoerd. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar ook op dit punt ongegrond te verklaren.
Na bestudering van de stukken in het dossier concludeert de Commissie dat in de compensatieberekening door UHT fouten zijn gemaakt maar dat geen van deze fouten in het nadeel zijn van belanghebbende.
UHT heeft bij component o, de gemiste toeslagrente, fouten gemaakt in de berekening doordat verkeerde data zijn gebruikt. Voor ieder toegewezen toeslagjaar zijn de gemaakte fouten in het voordeel van belanghebbende, waardoor zij meer compensatie heeft ontvangen dan waar zij recht op heeft. In verband met het verbod op verandering naar een slechtere positie wordt de berekening niet aangepast omdat dit in het nadeel zou zijn van belanghebbende.
Nu de door UHT gemaakte fouten in het voordeel van belanghebbende zijn, adviseert de Commissie om de gemaakte berekening niet aan te passen en om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Omdat het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om het hierop betrekking hebbende verzoek af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter