BAC 2025-15415
Publicatiedatum 06-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: 27 november 2023 met de kenmerken UHT-DCHA en UHT-O OGS B
Hoorzitting: 8 juli 2025
Overdracht advies aan UHT: 30 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de twee beschikkingen gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikkingen van 27 november 2023. Het gaat daarbij om de volgende twee beschikkingen:
- Definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DCHA;
- Definitieve beschikking tegemoetkoming Opzet/Grove Schuld met kenmerk UHT-O OGS B.
Aan belanghebbende is op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2013 op basis van vooringenomenheid dan wel hardheid. Wel heeft belanghebbende over de jaren 2010 tot en met 2013 recht op een tegemoetkoming Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS) ter hoogte van € 11.742. Daarom wordt belanghebbende gecompenseerd met het minimumbedrag van € 30.000.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2013.
- UHT heeft bij beschikking van 16 december 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 27 november 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende over de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 geen compensatie toegekend wegens vooringenomenheid dan wel hardheid.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 27 november 2023 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend ter hoogte van € 11.742. Dit bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 januari 2024, ingekomen op 9 januari 2024, bezwaar gemaakt tegen beide beschikkingen.
- UHT heeft op 21 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 7 juli 2025 per e-mail aanvullende informatie toegezonden.
- Op 8 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van deze hoorzitting is een verslag opgesteld, dat als bijlage bij dit advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft na de hoorzitting per e-mail aanvullende informatie toegezonden.
- Op 9 juli 2025 heeft gemachtigde wederom per e-mail aanvullende stukken ingediend.
- Op 21 juli 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing overgelegd.
- Dit advies is uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
De toeslagjaren 2009 tot en met 2011
Belanghebbende voert aan sinds 2009 kinderopvang te hebben afgenomen bij kinderopvang [naam], onderdeel van [naam], en niet bij andere opvanglocaties. De opvang lag dicht bij haar woning, waardoor het onlogisch zou zijn om opvang te regelen bij [naam kinderopvanginstelling] in Almere. In bezwaar heeft zij documenten ingediend die bevestigen dat zij in 2010 en 2011 gebruik heeft gemaakt van opvang bij [naam]. Hoewel zij mogelijk via haar moeder nog meer informatie kan verkrijgen, is het lastig om aanvullende gegevens aan te leveren. Het bezwaardossier bevat bovendien niet alle relevante documenten, zoals vraagbrieven en facturen. De aanvraag voor de KOT in 2009 is niet digitaal ingediend, maar via een papieren formulier met hulp van de opvangorganisatie. De door belanghebbende zelf betaalde facturen van [naam opvangorganisatie] zijn niet in het dossier opgenomen.
UHT heeft hierop gereageerd dat er over de jaren 2009 tot en met 2011 drie neerwaartse correcties zijn doorgevoerd (op 20 april 2011, 16 februari 2012 en 30 maart 2012), omdat belanghebbende niet reageerde op informatieverzoeken. Deze brieven zijn echter niet terug te vinden in de systemen van de Belastingdienst, wat volgens UHT wijst op vooringenomenheid. Volgens UHT is er echter geen recht op KOT aannemelijk gemaakt. Er ontbreken facturen van de kinderopvang en jaaropgaven, en in de systemen van de Belastingdienst is geen bewijs van opvang te vinden. Ook de KOI-viewer bevat geen gegevens over kinderopvang. Op 15 maart 2012 werd door Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) telefonisch contact opgenomen met kinderopvang [naam] (LRK 440633990), gevestigd aan [adres]. Uit deze navraag bleek dat het kind van belanghebbende daar niet bekend was. Belanghebbende heeft op 7, 8 en 9 juli 2025 aanvullende stukken ingediend waaruit blijkt dat zij over de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 gebruik heeft gemaakt van opvang bij [naam].
Op basis van deze stukken heeft UHT in de beschouwing van 21 juli 2025 geconcludeerd dat belanghebbende alleen voor toeslagjaar 2011 gecompenseerd dient te worden. UHT overweegt dat belanghebbende door B/T vooringenomen is behandeld. Hoewel de aanvraag voor KOT oorspronkelijk onjuist werd ingediend en een wijziging van opvanginstelling niet werd doorgegeven, is inmiddels duidelijk geworden dat er in 2011 opvang bij [naam] heeft plaatsgevonden. Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat er recht op KOT bestond en dat de problemen zijn ontstaan doordat B/T geen contact met haar opnam, waardoor het recht niet kon worden vastgesteld. UHT meent dat, ondanks de onregelmatigheden in de aanvraag, compensatie voor 2011 gerechtvaardigd is, op basis van de beschikking van 4 december 2010, ten bedrage van € 14.619. Voor de jaren 2009 en 2010 blijft UHT van oordeel dat compensatie niet aan de orde is, omdat er geen bewijs is dat er daadwerkelijk kinderopvang is afgenomen. Belanghebbende kan eventueel aanvullende informatie verstrekken om dit alsnog aan te tonen. Ook is onduidelijk of zij in die jaren recht had op KOT, afhankelijk van haar werk-, studie- of uitkeringsstatus. Indien zij niet onder een doelgroep valt, bestaat er geen recht op compensatie, zelfs als opvang is afgenomen.
De Commissie overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt een ouder in aanmerking voor compensatie als de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar is beïnvloed door bijzondere hardheid of institutionele vooringenomenheid van B/T. Artikel 2.1, lid 3, van de Wht bepaalt dat een belanghebbende aannemelijk moet maken dat sprake is van institutionele vooringenomenheid en dat hierdoor schade is geleden. Aannemelijk maken betekent dat de stellingen op basis van de verstrekte feiten en omstandigheden voldoende overtuigend moeten zijn onderbouwd; volledig sluitend bewijs is niet vereist.
De Commissie is van oordeel dat belanghebbende over de jaren 2009 tot en met 2011 vooringenomen is behandeld en dat zij hiervoor gecompenseerd dient te worden. Uit het dossier blijkt dat belanghebbende in 2009 kinderopvang heeft aangevraagd en daarbij heeft opgegeven dat zij opvang afnam bij [naam]. Achteraf is gebleken dat deze aanvraag onjuist was: er werd geen opvang afgenomen bij [naam]. Op basis van de bij en na de hoorzitting overlegde informatie blijkt dat de opvang bij [naam] was. Belanghebbende heeft daarna geen wijzigingen doorgegeven. B/T ging uit van de verstrekte gegevens en stelde op basis daarvan voorschotten vast. Pas in 2012, bij controle van de KOT over 2011, werd duidelijk dat er geen opvang had plaatsgevonden bij [naam]. Vervolgens werd de KOT voor 2011 op nihil gesteld. Ook voor 2009 en 2010 volgde een nihilbeschikking, omdat belanghebbende niet had gereageerd op verzoeken om aanvullende informatie.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende pas op 15 maart 2012 werd geïnformeerd over de fout in de aanvraag. De beschikking van 16 september 2009 vermeldde enkel het voorschotbedrag van € 15.175 en bevatte geen verwijzing naar een specifieke opvanginstelling. Hierdoor was het voor belanghebbende moeilijk te begrijpen dat B/T uitging van een verkeerde opvanglocatie. Ook latere voorschotbeschikkingen gaven hierover geen duidelijkheid.
Met de aanvullende stukken, waaronder een notitieschrift van kinderopvang [naam], heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat zij in 2011 daadwerkelijk opvang heeft afgenomen. Bovendien blijkt uit een schuldenoverzicht dat [naam kinderopvangorganisatie] – de overkoepelende organisatie van [naam] – deurwaarder [naam] heeft ingeschakeld voor het innen van een openstaande vordering van € 3.947,54, wat de betrokkenheid van [naam] bevestigt.
De Commissie is van oordeel dat B/T in 2010 en 2011 wist, dan wel had moeten begrijpen, dat belanghebbende opvang afnam bij [naam], ondanks het ontbreken van correcte registratie in de systemen. Uit de LIC-overzichten van 2010 en 2011 blijkt immers dat KOT-bedragen van respectievelijk € 1.265, € 1.218 en € 1.024,23 aan de deurwaarder van [naam kinderopvangorganisatie] zijn overgemaakt.
Hoewel er over 2009 geen hard bewijs is voor opvang bij [naam], acht de Commissie deze opvang aannemelijk op basis van de verklaringen van belanghebbende en de beschikbare gegevens. Zij heeft tijdens de hoorzitting en in gesprekken met de persoonlijk zaaksbehandelaar consistent verklaard dat zij sinds 2009 opvang afnam bij [naam], en dat hierin geen wijzigingen zijn geweest. De Commissie is van oordeel dat het belanghebbende niet kan worden verweten dat zij geen bewijs meer over 2009 kan aanleveren. B/T is mede verantwoordelijk voor het niet tijdig controleren van de aanvraag. Ook is belanghebbende destijds niet de mogelijkheid geboden om gegevens alsnog aan te leveren. Zij heeft verklaard dat zij telefonisch contact had gezocht met B/T, wat volgens UHT in de beschouwing van 21 juli 2025 niet met zekerheid kan worden tegengesproken omdat telefoonnotities destijds niet betrouwbaar werden vastgelegd. De Commissie gaat ervan uit dat belanghebbende daadwerkelijk contact heeft gezocht om duidelijkheid te verschaffen over de opvang vanaf 1 januari 2009. Het feit dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de nihilbeschikkingen acht de Commissie in dit licht van ondergeschikt belang.
Gelet op het voorgaande is de Commissie van oordeel dat belanghebbende over de jaren 2009 tot en met 2011 recht heeft op compensatie vanwege vooringenomenheid. Voor de berekening van de compensatie worden de beschikkingen van 16 september 2009, 5 december 2009 en 4 december 2010 als uitgangspunt genomen, met de volgende bedragen: € 15.175, € 15.175 en €14.619.
Reguliere bijstellingen van de KOT in toeslagjaar 2012
De Commissie overweegt dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2012 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid door B/T of hardheid van het stelsel. De terugvordering van de KOT over 2012 was het gevolg van een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Uit de stukken blijkt dat belanghebbende op 29 december 2012 de KOT vanaf 1 mei 2012 zelf heeft stopgezet, waardoor de KOT werd aangepast van € 5.640 naar € 1.880. Vanwege een hoger toetsingsinkomen werd de KOT verder bijgesteld naar € 1.866. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd en geven geen aanspraak op een hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier anders over te oordelen en adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2013
De Commissie is van oordeel dat belanghebbende over toeslagjaar 2013 niet vooringenomen is behandeld. Nadat de KOT op 29 december 2012 vanaf 1 mei 2012 was stopgezet, zijn er in de onderliggende stukken geen aanwijzingen gevonden voor geregistreerde buitenschoolse kinderopvang in 2013. Belanghebbende heeft geen bezwaar ingediend tegen de beschikking van 31 december 2012, waarin de KOT op nihil werd vastgesteld, waardoor de inhoud van deze beschikking vaststaat. In de KOI-viewer is geen informatie over afgenomen kinderopvang terug te vinden. Tevens heeft belanghebbende haar stelling dat er in 2013 kinderopvang is afgenomen niet onderbouwd. Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.
De Commissie adviseert het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking van 27 november 2023 met het kenmerk UHT-DCHA gegrond te verklaren.
De O/GS-tegemoetkoming
De Commissie stelt vast dat belanghebbende geen bezwaren naar voren heeft gebracht tegen de beschikking van 27 november 2023 waarin aan belanghebbende over de jaren 2010 tot en met een O/GS-tegemoetkoming is toegekend ter grootte van € 11.742.
Doordat de Commissie van oordeel is dat belanghebbende over de jaren 2009 tot en met 2011 door B/T vooringenomen is behandeld en deze compensatieregeling gunstiger is voor belanghebbende dient de O/GS-tegemoetkoming alleen betrekking te hebben op de jaren 2012 en 2013. De hoogte van deze vergoeding wordt dan € 2.802,30.
De Commissie adviseert het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking van 27 november 2023 met de kenmerk UHT-O OGS B gegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de primaire beschikkingen naar het oordeel van de Commissie dienen te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- Het bezwaar tegen de beschikkingen van 27 november 2023 gegrond te verklaren, uit te gaan van vooringenomenheid over de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 en belanghebbende daarvoor te compenseren. De compensatieberekening dient te worden gebaseerd op de volgende bedragen: €15.175, € 15.175 en € 14.619. De O/GS-tegemoetkoming dient aangepast te worden en alleen te worden toegekend voor de jaren 2012 en 2013.
- Het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter