BAC 2025-15412
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 11 oktober 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 25 juli 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 10 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en een verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de op 11 oktober 2023 door UHT genomen definitieve beschikking met kenmerk UHT-DCH.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €15.595 voor het jaar 2006 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 en 2009 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) in de toeslagjaren 2009 tot en met 2011. In overleg met belanghebbende is het verzoek tot herbeoordeling uitgebreid met de jaren 2006 en 2007.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 20 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2007 en 2009 tot en met 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- Op 1 augustus 2023 heeft UHT bij vooraankondiging met kenmerk UHT-VCH een voorlopig compensatiebedrag berekend van € 15.540. Dit bedrag is met €14.460 aangevuld tot € 30.000.
- Op 11 oktober 2023 is door UHT bij beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende over het toeslagjaar 2006 een compensatiebedrag toegekend van € 15.595 toegekend. Met betrekking tot de jaren 2007 en 2009 tot en met 2011 heeft UHT compensatie geweigerd.
- Gemachtigde heeft daartegen op 10 november 2023 een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 25 februari 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 25 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 30 juli 2025 een aanvullende beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft hier op 1 september 2025 een reactie op gegeven.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en onderliggende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt, behoudens het hierna overwogene, dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. Het is de Commissie derhalve niet gebleken dat belanghebbende door deze gang van zaken in haar processuele belangen is geschaad. De namens belanghebbende in dit verband naar voren gebrachte bezwaren kunnen derhalve niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Inhoudelijke bezwaren
De Commissie stelt vast dat het jaar 2007 niet meer in geschil is. Tijdens de hoorzitting heeft UHT toegezegd om voor dit jaar compensatie toe te kennen op grond van hardheid. In de aanvullende beschouwing van 30 juli 2025 heeft UHT in dat verband een cijfermatige onderbouwing verstrekt. Gelet hierop zal de Commissie alleen nog beoordelen of UHT terecht heeft besloten de jaren 2009 tot en met 2011 niet als, kortweg, compensatiejaren aan te merken en of UHT de compensatieberekening over het jaar 2006 juist heeft berekend.
Met betrekking tot de eerste vraag (2009 tot en met 2011) overweegt de Commissie als volgt.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009 en 2010 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. In 2009 was geen sprake van een terugvordering. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2010 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Met betrekking tot 2011 stelt de Commissie vast dat er op 25 januari 2013 door B/T een stopbrief is gestuurd, waarin staat dat belanghebbende het gehele voorschot over dit toeslagjaar moet terugbetalen. In die brief is ook aangegeven dat eerder is verzocht om aanvullende informatie, maar dat belanghebbende dit niet heeft gegeven. UHT komt tot de conclusie dat, nu deze eerdere uitvraagbrief niet in de systemen is te vinden, sprake is van een vooringenomen handeling.
De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht op aanvraag compensatie kan toekennen als aan de voorwaarden in dat lid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1 lid 2 Wht. De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.
De Commissie meent dat UHT niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Dat geen gegevens voorkomen in de KOI-viewer voor het toeslagjaar 2011 is voor de Commissie onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende over dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en dat daarom evident geen recht op KOT bestond. Van de juistheid van de gegevens in KOI-viewer mag in principe alleen worden uitgegaan wanneer zij daarin zijn opgenomen. De gegevens werden namelijk op aanvraag door de kinderopvanginstelling verstrekt. Bovendien is het de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden dat geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden. Weliswaar zijn door belanghebbende geen facturen of jaaropgaven overgelegd, maar met de enkele stelling dat het niet aannemelijk is dat er in 2011 geen kinderopvang is afgenomen omdat de kinderen in het jaar ervoor alleen van 1 januari tot en met 1 maart (2020) opvang hebben genoten, heeft UHT belanghebbende onvoldoende weersproken. Bovendien heeft belanghebbende een diploma overgelegd waarin staat dat zij op 12 juni 2012 is geslaagd. Het is niet onaannemelijk dat belanghebbende in (een deel van) 2011 een opleiding heeft gevolgd en dat de kinderen naar de kinderopvang gingen. De Commissie is dan ook van mening dat geen sprake is van de situatie van “evident geen recht op KOT”. Gelet daarop adviseert de Commissie tot toekenning van compensatie voor het jaar 2011 op grond van vooringenomenheid.
Met betrekking tot de tweede vraag (2006) overweegt de Commissie als volgt
Tussen partijen is niet in geschil dat in toeslagjaar 2006 sprake is van hardheid. UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht € 15.595 aan belanghebbende toegekend. UHT heeft, blijkens het gestelde in de schriftelijke beschouwing, zelf geconstateerd dat de berekening van de compensatie over dit jaar in de bestreden beschikking onjuist is geweest voor wat betreft de toeslagrente over de gemiste KOT (component o). UHT heeft daarbij, onder verwijzing naar de bij die beschouwing behorende bijlage, uiteengezet hoe zij deze berekening bij de beslissing op bezwaar in het voordeel van belanghebbende zal aanpassen.
De Commissie adviseert UHT daarom deze toezegging bij de beslissing op bezwaar gestand te doen en de door belanghebbende op dit punt opgeworpen bezwaren gegrond te verklaren.
Met betrekking tot de bezwaargrond ten aanzien van component ‘D’ en ‘I’ volgt de Commissie het standpunt van UHT. Uit het SAS-overzicht volgt dat er geen toeslagrente is geheven in de opgelegde voorschotbeschikkingen. Het is daarom terecht dat component ‘D’ op € 0 is vastgesteld.
Belanghebbende stelt dat het onzorgvuldig is van B/T om de KOT voor de toeslagjaren 2007, 2010 en 2011 automatisch te continueren, terwijl zij hier niet om heeft gevraagd. De Commissie kan UHT volgen in het standpunt dat op grond van artikel 15, lid 5, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen een aanvraag wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. De Commissie volgt UHT verder in haar betoog dat belanghebbende zelf verantwoordelijk is om tijdig wijzigingen door te geven. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar deels gegrond acht en adviseert om de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH te herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van een procespunt voor het bezwaarschrift met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen inzake toeslagjaar 2006 opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum van de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre te herroepen;
- op grond van hardheid alsnog compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2007;
- op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2011;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
Secretaris
Fungerend voorzitter