BAC 2025-15410
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 25 januari 2024 UHT-DCHO
Hoorzitting: 8 juli 2025
Overdracht advies aan UHT: 14 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar ingediend tegen het besluit van 25 januari 2024 waarbij belanghebbende is meegedeeld:
- dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2018 en 2019 is gebleken van fouten met betrekking tot toeslagjaar 2013. Tevens is belanghebbende meegedeeld dat zij recht heeft op een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna O/GS-tegemoetkoming) en dat zij daarom recht heeft op een (totaal) compensatiebedrag van € 8.128. Dit is aangevuld tot € 30.000.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Bij brief van 12 maart 2021 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, recht heeft op een betaling van € 30.000.
- Bij brief van 25 januari 2024 is vorenstaand besluit meegedeeld aan belanghebbende.
- Bij brief van 6 februari 2024 heeft gemachtigde tegen vorenstaand besluit bezwaar gemaakt.
- Bij brief van 19 november 2024 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 27 januari 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 8 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Toeslagjaar 2019
Belanghebbende betwist dat zij haar KOT heeft stopgezet met ingang van 9 juli 2009. Verder heeft zij gesteld dat de Belastingdienst/Toeslagen eerst een uitvraag had moeten doen alvorens de KOT stop te zetten.
De Commissie vindt het op grond van de in het dossier beschikbare informatie aannemelijk dat het belanghebbende zelf is geweest die haar KOT heeft stopgezet per 9 juli 2009. Bepalend daarvoor is dat dit uit het wijzigingsformulier (pagina 173) blijkt, in samenhang met het feit dat niet is gebleken dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 27 augustus 2009 waarbij het voorschot KOT 2009 met ingang van de doorgegeven datum van 9 juli 2009 is verlaagd. Er was voor de Belastingdienst/Toeslagen geen reden om eerst een uitvraag te doen.
Belanghebbende heeft verder niet aangetoond dat er vanaf augustus 2009 opvang heeft plaatsgevonden door een (geregistreerde) kinderopvanginstelling. Uit de overgelegde jaaropgaven blijkt dat er tot en met juli 2009 opvang is afgenomen. Als er geen opvang is genoten, bestaat er geen aanspraak op KOT. Dat betekent dat er geen sprake kan zijn van door belanghebbende geleden schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Om voor compensatie in aanmerking te komen, dient er sprake te zijn van schade die belanghebbende daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen. Dat is hier niet het geval.
Overige toeslagjaren
De KOT voor de overige toeslagjaren is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van wijziging van het aantal afgenomen opvanguren en wijziging van het toetsingsinkomen.
De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten, dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend, dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Omdat UHT doorgaans beschikt over relevante stukken, zal UHT naar aanleiding van de compensatieaanvraag wel de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen moeten vergaren. UHT heeft dit zorgvuldigheidbeginsel niet geschonden: ten aanzien van ieder toeslagjaar heeft UHT alsnog uitgebreid onderzocht en toegelicht welke wijzigingen hebben plaatsgevonden.
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15 lid 2 Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- de bezwaren ongegrond te verklaren;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Secretaris
Fungerend voorzitter