BAC 2025-15406
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 30 november 2023 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 1 september 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 3 september 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 30 november 2023 (UHT-DCHO). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 19.682,- voor de jaren 2016 en 2017.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 29 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016 en 2017.
- UHT heeft bij besluit van 21 augustus 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 september 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies vermeld dat gedurende de maanden september tot en met december 2016 en het jaar 2017 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of onbillijkheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 19.682,-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 januari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 17 juli 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 31 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift
- Op 1 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de maanden januari tot en met augustus 2016 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de maanden september tot en met december 2016 en het jaar 2017 af te wijzen.
Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel zijn geschonden. Zonder volledig dossier is het voor haar niet inzichtelijk hoe UHT tot de weigering van compensatie heeft besloten en hoe UHT de wel toegekende compensatie heeft berekend.
UHT heeft het dossier en een schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen. Op de hoorzitting heeft belanghebbende de bovendien de mogelijkheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.
De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit voldoende heeft toegelicht. Door het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” (hierna: LIC) en de overige producties is het bestreden besluit voldoende onderbouwd. Bij de hoorzitting zijn verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gekomen op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het door UHT overgelegde dossier incompleet is of aangevuld zou moeten worden.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, volgens artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de maanden september tot en met december 2016 en in het toeslagjaar 2017, nu belanghebbende in die periode geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Dit volgt uit de door belanghebbende overgelegde stukken en verklaringen. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor deze periode dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Na bestudering van de stukken in het dossier concludeert de Commissie dat in de compensatieberekening door UHT fouten zijn gemaakt maar dat geen van deze fouten in het nadeel is van belanghebbende.
UHT heeft bij component g, de KOT die niet is terugbetaald of verrekend, ten onrechte geen rekening gehouden met een kwijtgescholden bedrag van € 16.565,- voor het toeslagjaar 2016 en heeft bij component m, vergoeding juridische hulp, meer toegekend dan waar belanghebbende recht op had. Ook bij component o, de gemiste toeslagrente, zijn fouten gemaakt in de berekening doordat verkeerde data zijn gebruikt. In al deze gevallen zijn de gemaakte fouten in het voordeel van belanghebbende, waardoor zij meer compensatie heeft ontvangen dan waar zij recht op heeft. In verband met het verbod op verandering naar een slechtere positie op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de berekening niet aangepast aangezien dit in het nadeel zou zijn van belanghebbende.
Nu de door UHT gemaakte fouten in het voordeel van belanghebbende zijn, adviseert de Commissie om de gemaakte berekening niet aan te passen en om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Tijdens de hoorzitting is namens belanghebbende ook gevraagd naar nadere uitleg omtrent de berekening door UHT van de tegemoetkoming voor de onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) voor de maanden september tot en met december 2016 en het toeslagjaar 2017.
Op grond van art. 2.6 lid 1 en 2 Wht ontvangt een belanghebbende die vanwege een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd een O/GS-tegemoetkoming van 30% van het terug gevorderde bedrag. Volgens art. 2.6 lid 4 Wht blijft deze O/GS-tegemoetkoming achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in art. 2.1 Wht over hetzelfde berekeningsjaar.
Voor toeslagjaar 2016 heeft belanghebbende compensatie ontvangen als bedoeld in art. 2.1 Wht voor de maanden januari tot en met augustus. Het over dat toeslagjaar teruggevorderde bedrag is naar rato verdeeld in een bedrag waarvoor recht bestaat op compensatie wegens vooringenomen handelen (acht maanden) en een bedrag waarvoor belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming heeft ontvangen. Voor toeslagjaar 2017 heeft belanghebbende geen compensatie ontvangen als bedoeld in art. 2.1 Wht.
Uit bestudering van de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de O/GS-tegemoetkoming die belanghebbende heeft ontvangen voor de maanden september tot en met december 2016 en in het toeslagjaar 2017 op de juiste wijze zijn berekend.
De Commissie adviseert UHT daarom om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om het hierop betrekking hebbende verzoek af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter