Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15405

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 10 november 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 8 oktober 2025

Overdracht advies aan UHT: 14 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, alsnog een compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen over toeslagjaar 2012 en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €48.757,- voor de jaren 2008, 2009 en 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 en 2012 tot en met 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 27 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2015. UHT heeft de jaren 2008 tot en met 2014 herbeoordeeld.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 5 oktober 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2010 en 2012 tot en met 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €48.757,- voor de jaren 2008, 2009 en 2011 en geen compensatie voor de jaren 2010 en 2012 tot en met 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 14 december 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 22 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 8 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 14 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 18 november 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008, 2009 en 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010 en 2012 tot en met 2014 af te wijzen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken en equality of arms

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 13 mei 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling compensatieberekening voor toeslagjaren 2008, 2009 en 2011 Belanghebbende betoogt dat het voor haar onduidelijk is hoe de compensatieberekening tot stand is gekomen.

UHT heeft bij de beschouwing van 22 januari 2025 een Bijlage compensatieberekening overgelegd en per toeslagjaar een toelichting gegeven. Daarin erkent UHT dat de rente over gemiste KOT (component o) onjuist is vastgesteld. Als startdatum had 1 juli van het opvolgende berekeningsjaar gehanteerd moeten worden en als einddatum de dagtekening van de primaire compensatiebeschikking, te weten 10 november 2023 (ouderdossier pagina 261). De bedragen worden echter niet aangepast, omdat dit ten nadele van belanghebbende zal zijn. Op de hoorzitting heeft gemachtigde aangegeven hiertegen geen bezwaar te hebben. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.

Beoordeling afwijzing compensatie voor toeslagjaren 2010 en 2012

Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie voor deze jaren.

Belanghebbende ontkent de informatiebrieven over toeslagjaar 2010 te hebben ontvangen en wijst erop dat UHT geen deugdelijke verzendadministratie heeft overgelegd.

Het jaar 2010 komt volgens UHT niet voor compensatie in aanmerking, omdat sprake is van reguliere wijzigingen en belanghebbende niet op de informatiebrieven heeft gereageerd. In de aanvullende beschouwing van 14 oktober 2025 heeft UHT toegelicht dat belanghebbende tussen mei 2007 en februari 2008 ingeschreven stond op het [adres] te Den Haag en vanaf april 2022 op [adres] in België. In de tussenliggende periode zijn er in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) geen adresgegevens bekend (productie 2700121).

UHT heeft verder toegelicht dat B/T in de periode van 21 mei 2013 tot en met 22 januari 2014 in totaal drie brieven heeft verzonden naar het [adres] te Den Haag. Dit adres was op dat moment het enige bekende correspondentieadres. Volgens UHT mocht B/T dat adres hanteren en is dit in lijn met de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De B/T mag er in beginsel van uitgaan dat post die wordt verzonden naar het bij haar bekende adres, de belanghebbende ook bereikt.

De Commissie overweegt het volgende.

In de door belanghebbende bedoelde vaste rechtspraak is overwogen dat , als een belanghebbende stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, het in beginsel aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van de verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat het bestuursorgaan over een deugdelijke verzendadministratie beschikt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 mei 2022, ECLI:NLCRVB:1113).

De Commissie stelt vast dat in dit geval uit het dossier volgt dat uitvraagbrieven in de systemen van B/T aanwezig zijn (producties 1210007 en 1210008).

Verder is niet ontkend, en volgt ook uit p 03000012 pagina 107, Mijn verhaal) dat belanghebbende samen met haar dochter in de relevante periode in de [adres] te Den Haag woonde. Het is dus als juist aan te merken dat B/T correspondentie naar dat adres stuurde. Van belanghebbende is geen reactie bekend op die brieven. Nu van belanghebbende ook geen ander adres bekend was, en de brieven gearchiveerd zijn, mocht UHT onder de genoemde omstandigheden ervan uitgaan dat de brieven belanghebbende bereikten. Volgens de Commissie mag er dan in beginsel van uit worden gegaan dat B/T wijzigingen doorvoerde nadat zij (in ieder geval in de veronderstelling verkeerde dat zij) voldoende had uitgevraagd. In die gang van zaken is volgens de Commissie geen aanknopingspunt van vooringenomenheid te zien.

Er zijn ook geen andere gegevens bekend geworden die B/T destijds aanleiding had moeten geven tot twijfel. Aan de vraag of UHT aannemelijk kan maken dat de uitvraagbrieven toentertijd door B/T zijn verzonden en door belanghebbende zijn ontvangen, komt dan in dit geval geen doorslaggevende betekenis toe. De Commissie is daarom van oordeel dat B/T er van mocht uitgaan dat belanghebbende destijds voldoende door B/T in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aan te tonen.

De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Met betrekking tot het jaar 2012 concludeert UHT dat in dat jaar sprake is geweest van vooringenomen handelen, omdat niet kan worden vastgesteld of belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad om haar recht op KOT aan te tonen. Desondanks stelt UHT dat in dat jaar sprake was van evident geen recht op KOT, waardoor belanghebbende geen aanspraak maakt op compensatie wegens vooringenomenheid.

Over dit toeslagjaar 2012 stelt belanghebbende zich op het standpunt dat geen sprake is van evident geen recht. Dat de KOI-viewer leeg is, zegt niets want de betreffend KOI plaatste voor 2018 nooit gegevens in de KOI-viewer.

De Commissie overweegt als volgt.

UHT kent op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht op aanvraag compensatie toe als aan de voorwaarden in dat lid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. De situatie dat evident geen recht op KOT is, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1 lid 2 Wht. De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.

In het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van UHT staat in dit kader vermeld:

Als je evident geen recht op KOT stelt moet je zeker weten dat er geen opvang is geweest over die periode of dat de ouder (of toeslagpartner) niet voldeden aan de eisen om KOT te ontvangen.”

Naar de Commissie meent, heeft UHT niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Dat in de KOI-viewer geen gegevens voorkomen over 2012 is onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende in dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Van de juistheid van de gegevens in KOI-viewer mag in principe alleen worden uitgegaan wanneer zij daarin zijn opgenomen. De gegevens werden namelijk op aanvraag door de KOI verstrekt. Bovendien is de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden dat in het jaar 2012 geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden.

Bovendien staat vast dat het kind pas na enkele maanden in dat jaar de vierjarige leeftijd bereikte (22 februari 2012) en in het voorafgaande jaar, toen het drie jaar oud was, ook gebruik maakte van opvang. Bij de beoordeling van 2011 is UHT uitgegaan van doelgroeper en een kind waarvoor in beginsel aanspraak op KOT bestaat, terwijl niet was gebleken van ernstige onregelmatigheden.

UHT heeft niet afdoende gemotiveerd waarom die situatie per 1 januari 2012 tot een andere beoordeling moet leiden dan voor 2011. Gelet op de op B/T rustende bewijslast in deze situatie, adviseert de Commissie UHT om alsnog compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2012 op grond van vooringenomenheid, tenzij alsnog een deugdelijke motivering wordt gegeven over de afwijzing van compensatie.

Toeslagjaren 2013 en 2014

Voor deze jaren zijn door de gemachtigde geen bezwaren aangevoerd, noch schriftelijk noch ter hoorzitting. De Commissie betrekt deze jaren derhalve niet bij de beoordeling in dit advies.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • alsnog een compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen voor toeslagjaar 2012;
  • te bepalen dat de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade doorloopt tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter