BAC 2025-15403
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 2 april 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 3 juli 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 24 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen vergoeding toegekend voor de jaren 2008 en 2009.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 oktober 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 en 2009.
- UHT heeft bij beschikking van 8 december 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat hij nog niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 en dat de Integrale herbeoordeling in gang wordt gezet.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 31 januari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op een vergoeding voor de jaren 2008 en 2009.
- Gemachtigde heeft bij brief van 14 mei 2024, ingekomen op 16 mei 2024, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 17 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Op 3 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 10 juli 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. UHT heeft op 15 juli 2025 een correctie ingediend op deze nadere schriftelijke reactie. Gemachtigde heeft op 21 juli 2025 naar aanleiding van deze stukken gereageerd dat hij geen aanvullende opmerkingen heeft.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Toeslagjaren 2008 en 2009
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij slachtoffer is geworden van fraude door derden. Belanghebbende stelt dat de KOT over het toeslagjaar 2008 is uitbetaald op het rekeningnummer van een derde. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat de derde hem ertoe zou hebben gedwongen de KOT aan te vragen op diens rekeningnummer. Ten aanzien van het toeslagjaar 2009 stelt belanghebbende dat de KOT is overgemaakt op zijn eigen rekeningnummer, maar dat hij dit bedrag eveneens heeft moeten afstaan aan een derde. Belanghebbende betoogt dat om voornoemde redenen sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de hardheidsregeling van toepassing is en hij in aanmerking komt voor een bedrag aan compensatie.
UHT stelt zich op het standpunt dat belanghebbende over de respectievelijke toeslagjaren geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang en daarmee sprake is van evident geen recht – waardoor geen recht bestaat op compensatie vanwege vooringenomen handelen. Voorts stelt UHT dat de hardheidsregeling niet van toepassing is. Dit omdat uit de LIC-overzichten blijkt dat de KOT aan belanghebbende zelf is uitgekeerd. UHT heeft haar standpunt in haar aanvullende schriftelijke beschouwing van 10 juli 2025 nader uiteengezet. UHT stelt in deze aanvullende schriftelijke beschouwing dat uit de tenaamstelling van de in de LIC-overzichten genoemde rekeningnummers blijkt dat de KOT over het toeslagjaar 2008 is overgemaakt op een rekeningnummer dat op naam staat van een natuurlijk persoon waarvan geen relatie met belanghebbende is vastgesteld – en dat de KOT over het toeslagjaar 2009 is overgemaakt op een rekeningnummer dat op naam staat van belanghebbende zelf. UHT heeft haar standpunt door middel van haar schrijven van 15 juli 2025 aangepast en – met overlegging van een uitdraai van een raadpleging GAS - gesteld dat zij tot de conclusie komt dat de KOT over het toeslagjaar 2008 eveneens is uitbetaald aan belanghebbende met gebruik van diens BSN-nummer.
De Commissie overweegt als volgt. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake over de toeslagjaren 2008 en 2009, nu belanghebbende in deze jaren geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt vervolgens niet bestreden. De Commissie is daarom van oordeel dat geen recht bestaat op compensatie op grond van vooringenomen handelen.
Volgens Afdeling 2.2.2. van het Handboek Vaktechniek Integrale Beoordeling van UHT kan sprake zijn van hardheid als een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de KOT aanvraagt en de KOT aantoonbaar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan belanghebbende. De Commissie is van oordeel dat uit de voorhanden zijnde stukken alsmede hetgeen ter zitting en na de zitting aan de orde is gekomen - op geen enkele wijze is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd.
Hoewel de Commissie uit het door UHT toegestuurde uittreksel GAS niet zonder meer afleidt dat de KOT over het toeslagjaar 2008 op een rekeningnummer van belanghebbende is uitbetaald, is de Commissie van oordeel dat op geen enkele wijze aannemelijk is dat de fraude waarvan belanghebbende stelt dat deze door derden is gepleegd buiten medeweten van belanghebbende zelf is omgegaan en het bedrag aan KOT niet (mede) aan belanghebbende zelf ten goede zou zijn gekomen. De Commissie neemt hierbij onder meer in ogenschouw dat de KOT over beide toeslagjaren is overgemaakt met gebruikmaking van het sofinummer van belanghebbende, dat belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor het gebruik van zijn sofinummer, al dan niet door een derde, dat de (definitieve) beschikkingen KOT altijd zijn verstuurd naar een adres waarop belanghebbende woonachtig is en bovendien dat belanghebbende nooit aangifte heeft gedaan tegen een derde die hem opdracht zou hebben gegeven om fraude te plegen met de KOT.
De Commissie ziet geen aanknopingspunten dat belanghebbende in aanmerking komt voor een bedrag aan compensatie op grond van hardheid. De Commissie adviseert het bezwaar ongegrond te verklaren.
Kosten voor rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond dient te worden verklaard, en de Commissie adviseert tot het in stand laten van de bestreden beschikking, bestaat geen aanleiding om het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om de bestreden beschikking in stand te laten.
Secretaris
Fungerend voorzitter