BAC 2025-15401
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 17 november 2023 (UHT-HD CWS)
Hoorzitting: 25 augustus 2025 om 14:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 6 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de aanvullende compensatie opnieuw te berekenen, met toepassing van het gewijzigde schadekader van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) en met inachtneming van dit advies, en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de CWS. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van €2.064.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 31 januari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2008 tot en met 2018.
- UHT heeft bij beschikking van 26 mei 2021 (met het kenmerk UHT-B DMB2) aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij beschikking van 29 december 2021 (met het kenmerk UHT-DC I) aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 57.432 voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2010.
- UHT heeft bij beschikking van 6 oktober 2023 (met het kenmerk UHT-O OGS B) aan belanghebbende een tegemoetkoming wegens een onterechte kwalificatie voor opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend voor een bedrag van € 3.857. Deze tegemoetkoming betreft het toeslagjaar 2013.
- Belanghebbende heeft op 13 april 2022 verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
- De CWS heeft het advies met haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 november 2023 aan UHT toegestuurd.
- UHT heeft het advies van de CWS gevolgd en bij de bestreden beschikking van 17 november 2023 aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 2.064.
- Gemachtigde heeft bij brief van 29 december 2023, ingekomen op 3 januari 2024, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 november 2024, ingekomen op 19 november 2024, het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft in april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift en de daarop gegeven aanvulling.
- Op 25 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan het advies is gehecht.
- Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 4 september 2025 een nadere schriftelijke reactie op de beschouwing van UHT ingediend. UHT heeft op 22 september 2025 daarop gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commmissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Het toetsingskader
De Commissie vermeldt hier allereerst welke overwegingen zij bij de beoordeling van bezwaren tegen beschikkingen van UHT na een advies van de CWS betrekt.
In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid tot een verzoek om vergoeding van aanvullende schade, naast de compensatie die deels met vaste (“forfaitaire”) bedragen werkt. Het gaat dan dus om vergoeding van werkelijke schade. Artikel 2.1 lid 3 van de Wht biedt de basis voor de gang van zaken bij de indiening van zo’n verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook de uitspraak van 27 september 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder moet daarbij informatie verschaffen die aannemelijk maakt (1) dat en in welke mate aanvullende schade is geleden en (2) dat die schade het gevolg is van de handelwijze van de Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: de B/T) waarvoor de ouder (enige) compensatie heeft ontvangen.
De CWS vervult hierbij een adviserende rol. Na haar beoordeling of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, brengt de CWS haar advies daarover uit aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van de CWS baseren, nadat ze zich ervan heeft vergewist dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarvan begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit volgt uit artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
UHT kan voor de motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van de CWS, als dit advies zelf een toereikende motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. In een bezwaarprocedure als deze beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de hier bedoelde ‘vergewisplicht’. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. Als dit bezwaar inhoudt dat de aanvullende compensatie die UHT op basis van het advies van de CWS wil toekennen te laag is, gaat de Commissie na op welk bedrag de ouder aanspraak heeft volgens het civiele schadevergoedingsrecht (zie artikel 2.1 lid 3 van de Wht). Is dat bedrag hoger dan het bedrag dat UHT heeft toegekend, dan zal de Commissie adviseren de compensatie daaraan aan te passen.
De Commissie voegt hieraan nog de volgende algemene overwegingen toe. Het gaat in deze zaak om gebeurtenissen van soms vele jaren geleden. Het is begrijpelijk dat belanghebbende daaraan geen scherpe herinnering heeft. Het is ook goed voorstelbaar dat haar herinnering extra vaag is door alles wat zij in die jaren en daarna heeft meegemaakt. Ook is het niet vreemd dat zij alles wat zich toen heeft afgespeeld niet goed heeft geadministreerd. Zij heeft verklaard dat zij mede door diverse verhuizingen, die ook te maken hadden met de gevolgen van de terugvorderingen van KOT, geen papieren heeft bewaard. Ook dit is dus heel verklaarbaar en begrijpelijk. Deze gegevens hebben tot gevolg dat belanghebbende in een lastige positie verkeert, ook als er rekening mee wordt gehouden dat zij haar schade niet hoeft te bewijzen maar slechts aannemelijk moet maken. Deze lichte vorm van het aantonen van schade is ook volkomen redelijk; het gaat immers om schade die het gevolg is van onjuist handelen van de B/T. Zij is door toedoen van de B/T in een positie terechtgekomen waarin zij gegevens van jaren geleden moet verschaffen. Dan mogen geen hoge eisen worden gesteld aan haar plicht om schade toe te lichten.
Vermelding verdient ook het volgende. De vraag naar het causale verband tussen het handelen van de B/T en de gestelde schade – anders gezegd: heeft het één geleid tot het ander? – is niet altijd met een eenvoudig ja of nee kan te beantwoorden. In het civiele schadevergoedingsrecht kan plaats zijn voor de berekening van de kans dat de schade is veroorzaakt door het handelen van de aansprakelijke partij. Dit kan een redelijke oplossing bieden in gevallen waarin onduidelijkheid blijft bestaan, maar de mogelijkheid aanwezig is dat de schade geheel of ten dele is ontstaan door fouten van de aansprakelijke partij. Ook in dit opzicht is aannemelijkheid voldoende en is hard bewijs niet nodig. Deze aannemelijkheid is echter wel de ondergrens. Een belanghebbende die stelt extra schade te hebben geleden, moet wel enig houvast, enig concreet aanknopingspunt, geven voor de conclusie dat er dergelijke schade is.
De Commissie zal aan de hand van de hier vermelde uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval op goede gronden heeft gebaseerd op het advies van de CWS. Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde verklaard dat de bezwaren van belanghebbende zich beperken tot de hierna te bespreken schadeposten. De Commissie volgt gemachtigde hierin.
De afzonderlijke schadeposten
Kinderopvangkosten 2008
Belanghebbende stelt dat zij in 2008 kinderopvang heeft afgenomen en heeft betaald, zonder dat zij hiervoor KOT heeft ontvangen. Zij verzoekt om een vergoeding voor deze kosten.
De CWS heeft in haar advies geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat belanghebbende in het toeslagjaar 2008 kinderopvang heeft afgenomen en hierdoor ten onrechte geen KOT heeft ontvangen. Omdat belanghebbende wel is gecompenseerd voor dit jaar, is de CWS tot de conclusie gekomen dat belanghebbende voor dit jaar voldoende is gecompenseerd op grond van de herstelregeling.
De Commissie acht het advies van CWS op dit punt begrijpelijk en zorgvuldig, omdat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende in 2008 betaalde kinderopvang heeft afgenomen. Belanghebbende heeft niets concreets ingebracht tegen het betoog van UHT, die de CWS heeft gevolgd. De enkele mededeling van haar dat haar stellingen zeer waarschijnlijk zijn, omdat zij toen een ‘gewoon’ gezinsleven en een baan had, biedt niet voldoende houvast. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Verletdagen
Belanghebbende stelt dat zij vrije dagen heeft moeten opnemen om zaken die verband houden met de KOT-problemen te regelen.
UHT heeft op basis van het nieuwe schadekader van de CWS voor de verletdagen aan belanghebbende een forfaitaire vergoeding van € 300 toe per gedupeerd toeslagjaar toegekend. Dit komt uit op een vergoeding van € 1.200 in totaal. Omdat deze vergoeding wordt verrekend met de al uitgekeerde forfaitaire vergoeding voor materiële schade op grond van de definitieve compensatiebeschikking van 29 december 2021, heeft UHT beslist dat zij hiervoor aan belanghebbende geen aanvullend compensatiebedrag zal uitbetalen.
De Commissie acht de uiteenzetting van UHT over de vergoeding voor deze kosten op basis van het nieuwe schadekader van CWS begrijpelijk en zorgvuldig en ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen. Juist voor gevallen als deze zijn de vaste, forfaitaire bedragen bedoeld. Het is niet aan de Commissie om de redelijkheid van deze bedragen te beoordelen.
Inkomensschade
Belanghebbende stelt dat zij inkomensverlies heeft geleden, omdat destijds beslag op haar loon is gelegd. Daarnaast is zij in 2015 en 2016 minder gaan werken, omdat zij geen KOT meer ontving en daardoor zelf de opvang van haar kinderen moest regelen.
De CWS heeft in haar advies uiteengezet dat uit de informatie die zij heeft ontvangen niet aannemelijk is geworden dat er loonbeslag is gelegd in verband met de terugvordering van KOT over de toeslagjaren 2009, 2010 en 2013, dan wel over andere toeslagjaren. De CWS heeft rekening gehouden met het feit dat belanghebbende geen stukken heeft ingebracht die steun geven voor haar stelling over het loonbeslag. De CWS heeft daarnaast overwogen dat uit de inkomensgegevens van belanghebbende niet volgt dat zij werkelijk inkomensschade heeft geleden. De CWS vermeldt hierbij dat uit deze gegevens niet volgt dat belanghebbende vanaf 2014 structureel minder is gaan verdienen.
De Commissie komt op dit punt voor een deel tot een ander oordeel. Enig relevant inkomensverlies is wel aannemelijk geworden. Normaal gesproken vertonen inkomens, bij gelijkblijvende omstandigheden in opeenvolgende jaren, een licht opgaande lijn. In dit geval vertonen enkele jaren (2015 en 2016) een duidelijke – zij het niet heel grote – terugval. Gegeven alle andere omstandigheden van dit geval en gelet ook op de moeilijke bewijspositie van belanghebbende, is in voldoende mate aannemelijk geworden dat belanghebbende meer taken voor de kinderen had en enig nadeel heeft ondervonden van de problemen met de KOT in de eerdere jaren. De eerste terugvordering dateert van begin 2014 en de daardoor veroorzaakte ontregeling zal belanghebbende kunnen hebben belemmerd in haar mogelijkheid om normaal te blijven functioneren. Dit is voldoende om te concluderen dat zij in dit opzicht aanvullende schade heeft geleden.
De Commissie is niet toegerust om deze extra schade nauwkeurig te berekenen. Zij adviseert UHT om een berekening te maken die ervan uitgaat dat het inkomen van belanghebbende in de hier bedoelde jaren een normale, gemiddelde, groei zou hebben doorgemaakt. Het verschil tussen het daaruit voortvloeiende inkomen en het inkomen dat belanghebbende in werkelijkheid heeft gehad is dan als haar aanvullende schade te zien.
Tandartskosten
Belanghebbende heeft ook om een vergoeding van tandartskosten verzocht.
De CWS heeft in haar advies overwogen dat belanghebbende onvoldoende heeft toegelicht welke tandheelkundige problemen hier speelden en wanneer deze problemen zijn ontstaan. Hierdoor acht de CWS het onvoldoende aannemelijk dat deze problemen zijn ontstaan door de perikelen met de KOT. UHT heeft op dit punt het advies van CWS gevolgd. Zij heeft erop gewezen dat zij geen aanvullende stukken of een nadere toelichting heeft ontvangen die onderbouwen dat deze kosten in het kader van de KOT-problemen moeten worden vergoed.
De Commissie overweegt dat het niet voldoende aannemelijk is geworden dat de tandartskosten het gevolg zijn van de problemen met de KOT. De Commissie acht het advies van CWS op dit punt daarom voldoende zorgvuldig en begrijpelijk en adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. De door belanghebbende ingebrachte gegevens zijn vaag en geven onvoldoende steun aan haar stelling dat zij door de financiële problemen die met de terugvordering te maken hebben geen passende tandheelkundige hulp heeft kunnen krijgen. Hierbij houdt de Commissie rekening met het gegeven dat veel mensen niet verzekerd zijn voor grote tandheelkundige uitgaven en daardoor afzien van behandelingen die anderen, met meer geld, zich wel kunnen veroorloven. Herstel van achterstallig onderhoud kan extra kosten meebrengen, maar dat de nijpende financiële situatie van belanghebbende in relatie tot de door haar geschetste tandheelkundige problemen het gevolg was van de terugvordering van de KOT, is niet aannemelijk geworden. Die problemen waren er immers al vóór die tijd.
Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende heeft om een hogere vergoeding voor immateriële schade verzocht.
Het advies van de CWS dateert van vóór de publicatie van het nieuwe schadekader van deze commissie. UHT heeft de vergoeding voor immateriële schade daarom opnieuw berekend aan de hand van dit nieuwe schadekader. Omdat de vergoeding voor immateriële schade wordt verrekend met de vergoeding die reeds is toegekend, kent UHT een aanvullende vergoeding voor immateriële schade toe voor een bedrag van € 12.000.
De Commissie acht de uiteenzetting van UHT over de toetsing van het nieuwe schadekader van CWS aan de overige zogenoemde bouwstenen begrijpelijk en zorgvuldig. Zij ziet in datgene wat belanghebbende hierover heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel op dit punt.
Overige vermogensschade
Belanghebbende heeft om een hogere vergoeding voor overige vermogensschade verzocht. Zij heeft hierbij een schuldenoverzicht en screenshots van leningen bij de ABN AMRO Bank overgelegd.
De CWS heeft geadviseerd geen aanvullende schadevergoeding toe te kennen voor eventuele schade door de schulden en leningen van belanghebbende. Volgens haar heeft belanghebbende onvoldoende onderbouwd en is ook overigens niet duidelijk geworden
(1) welke schulden zijn ontstaan door de problemen met de KOT, (2) welke leningen hiermee verband hielden en (3) of belanghebbende in verband daarmee bijkomende kosten heeft betaald. UHT heeft op dit punt het CWS-advies gevolgd.
De Commissie komt tot de volgende beoordeling. Zij vindt het niet voldoende aannemelijk dat de schulden zijn veroorzaakt door de problemen met KOT en dat het aangaan van de leningen noodzakelijk was door de problemen met KOT. De Commissie is daarom van oordeel dat het advies van CWS voldoende zorgvuldig en begrijpelijk is en adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren. Dit geldt ook voor datgene wat belanghebbende heeft aangevoerd over de huurkwestie. Haar stellingen daarover zijn heel summier gebleven. Het zou niet onmogelijk moeten zijn geweest dat zij na deugdelijke navraag, eventueel met hulp van anderen, méér had ingebracht. Dat heeft zij niet gedaan. Ook heeft zij niet gesteld wat zij, tevergeefs, wél heeft gedaan.
Mede hierdoor ziet de Commissie onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de huurproblemen tot een aanvulling van de vergoeding moeten leiden.
Vergoeding voor het voeren van de procedure bij de CWS
UHT kent op grond van het gewijzigde schadekader een vaste vergoeding toe van €500 (inclusief wettelijke rente) voor de tijd en kosten van het voeren van de procedure bij de CWS. Deze vergoeding wordt niet verrekend met de al te ontvangen compensatie.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie concludeert dat het bezwaar deels gegrond is, adviseert zij UHT om het primaire besluit (de bestreden beschikking) te herroepen en om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- de aanvullende compensatie met toepassing van het gewijzigde schadekader van de CWS en met inachtneming van dit advies opnieuw te berekenen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
Secretaris
Fungerend voorzitter