BAC 2025-15399
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 januari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 23 september 2025
Overdracht advies aan UHT: 6 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit van 9 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 9 januari 2024 (kenmerk: UHT-DCHOA).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2006, 2007 en 2008.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 23 oktober 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2008.
- UHT heeft bij besluit van 15 december 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 maart 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2006 tot en met 2008.
- Gemachtigde heeft op 2 januari 2024 een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 15 april 2025 een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 23 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op 23 september 2025 heeft UHT, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Commissie, de schriftelijke beschouwing naar gemachtigde gestuurd. Gemachtigde heeft op 18 oktober 2025 te kennen gegeven geen opmerkingen hierover te hebben.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor toeslagjaar 2008 af te wijzen. Tevens zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.
Belanghebbende betwist dat de stopzetting van de KOT in dit toeslagjaar door hem is ingediend.
De Commissie overweegt als volgt. Uit het bezwaardossier volgt dat belanghebbende op 8 mei 2008 de KOT per 12 december 2007 – met terugwerkende kracht – heeft beëindigd. Doordat de KOT automatisch is gecontinueerd, is de KOT uit 2007 enige tijd doorgelopen in toeslagjaar 2008, waarna de KOT nogmaals door belanghebbende is beëindigd per 1 januari 2008. In aansluiting daarop is de KOT bij beschikking van 16 oktober 2008 neerwaarts gecorrigeerd. Geplaatst tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden overweegt de Commissie dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2008 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De Commissie heeft ook in de stelling van gemachtigde dat de stopzetting niet door belanghebbende zou zijn ingediend, geen aanknopingspunten gevonden om hier anders over te oordelen. De Commissie adviseert derhalve het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Voorts stelt belanghebbende dat sprake is van een schending van het zorgvuldigheids-en motiveringsbeginsel. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reactie, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. De door belanghebbende in dit kader opgeworpen bezwaren treffen dan ook geen doel.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen het besluit van 9 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Secretaris
Fungerend voorzitter