Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15398

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 23 november 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 24 juni 2025

Overdracht advies aan UHT: 24 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit van 23 november 2023 met kenmerk UHT-DCH ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het volgende door UHT genomen besluit.

De beschikking van 23 november 2023 met kenmerk UHT-DCH, waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitieve compensatie van € 49.528 voor de jaren 2006 tot en met 2008 wordt toegekend. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) fouten heeft gemaakt bij het toekennen van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Voor de jaren 2005 en 2009 wordt geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 6 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT. De herbeoordeling gaat over de jaren 2005 tot en met 2009.
  • Bij beschikking van 3 juni 2021 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • Op 20 juli 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is gebleken van institutioneel vooringenomen handelen voor de jaren 2005 en 2009 noch dat er reden is voor toepassing van de hardheidscompensatie.
  • UHT heeft bij beschikking van 23 november 2023 aan belanghebbende een compensatie van € 49.528 voor de jaren 2006 tot en met 2008 toegekend. Voor de jaren 2005 en 2009 komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie.
  • Op 15 december 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 14 april 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 24 juni 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Op 9 juli 2025 heeft gemachtigde, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Commissie, laten weten niet over nadere gegevens met betrekking tot de opvang over toeslagjaar 2009 te beschikken. Op diezelfde dag is dit ter kennisgeving naar UHT gestuurd.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft dit bezwaar behandeld.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vragen of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten dat belanghebbende geen compensatie of tegemoetkoming krijgt toegekend voor de jaren 2005 en 2009. Tevens zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.

Definitieve compensatieberekening

De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding voor gemiste KOT onjuist blijkt te zijn vastgesteld voor de jaren 2006 tot en met 2008. Ingevolge artikel 2.3, lid 7, Wht wordt, kortweg, over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten met overeenkomstige toepassing van artikel 27 Awir. In de compensatieberekening is de rente over de gemiste KOT opgenomen onder component o. UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat in de nieuwe berekening voor bovenstaande jaren op een lagere rentevergoeding wordt uitgekomen, waardoor dit niet zal worden aangepast in de beslissing op bezwaar. De Commissie heeft geen aanleiding om van bovenstaand standpunt af te wijken.

De overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en de definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reactie, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, de compensatieberekening en daarmee het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde ouderdossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad.

Afgewezen toeslagjaren 2005 en 2009

Belanghebbende is van mening dat zij ook voor de jaren 2005 en 2009 in aanmerking komt voor compensatie. De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.

Het is de Commissie gebleken dat er in toeslagjaar 2005 geen neerwaartse correcties hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van toeslagjaar 2009 overweegt de Commissie dat de KOT op nihil is gesteld naar aanleiding van een door belanghebbende doorgegeven wijziging. Belanghebbende heeft namelijk middels een antwoordformulier (productie 67 in het dossier) aan B/T kenbaar gemaakt dat zij in het jaar 2009 geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. De verplichting tot het terugbetalen van de KOT is zodoende het gevolg geweest van een reguliere correctie, welke niet kan worden aangemerkt als vooringenomen handelen. De reguliere correctie wijst ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.

Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten, dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag uitkomt.

Daarbij merkt de Commissie op dat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om met objectief verifieerbare stukken aan te tonen dat er in toeslagjaar 2009 kinderopvang is afgenomen. Belanghebbende heeft namelijk ter zitting verklaard dat zij in de eerste maanden van het jaar 2009 geregistreerde opvang heeft afgenomen en dat zij zich niet herkent in de stelling van UHT dat zij middels het antwoordformulier de KOT zou hebben stopgezet. Belanghebbende heeft na de hoorzitting te kennen gegeven hier geen stukken meer van te hebben. Gelet op de expliciete verklaring in het dossier acht de Commissie niet aannemelijk dat er in dit jaar wel sprake is geweest van geregistreerde kinderopvang. Naar aanleiding van wat hierover op de hoorzitting namens belanghebbende is aangevoerd, overweegt de Commissie dat uit het betaal- en verrekenoverzicht KOT 2009 blijkt dat het voorschot 2009 aan belanghebbende is uitbetaald. De Commissie adviseert dan ook om de bezwaren op dit punt ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen het besluit van 23 november 2023 ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Secretaris

Fungerend voorzitter