Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15396

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 oktober 2023 met kenmerk: UHT-DCH

Hoorzitting: 17 juni 2025 om 10:15 uur

Overdracht advies aan UHT: PM

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van 19 oktober 2023 met kenmerk: UHT-DCH.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 42.801 voor de jaren 2009, 2010 en de maanden januari tot en met juli van het jaar 2011. Over het jaar 2008 en de maanden augustus tot en met december van het jaar 2011 wordt belanghebbende niet gecompenseerd.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 11 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2008 tot en met 2011.
  • UHT heeft aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat er in het toeslagjaar 2008 en de maanden augustus 2011 tot en met december 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Voor de toeslagjaren 2009, 2010 en de maanden januari 2011 tot en met juli 2011 is de compensatieregeling wel van toepassing.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 42.689.
  • UHT heeft bij beschikking van 19 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende medegedeeld dat zij wordt gecompenseerd voor een bedrag van € 42.801. De compensatie wordt toegekend omdat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) belanghebbende over de jaren 2009, 2010 en de maanden januari tot en met juli 2011 vooringenomen heeft behandeld. De compensatieregeling is niet van toepassing over het jaar 2008 en de maanden augustus tot en met december van het jaar 2011 .
  • Gemachtigde heeft bij brief van 16 november 2023, ingekomen op 23 november 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 5 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 17 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal eerst ingaan op de volgende bezwaargronden:

  • Op de zaak betrekking hebbende stukken;
  • Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Gemachtigde voert aan dat het hersteldossier niet is ontvangen.

De Commissie stelt vast dat de gemachtigde de schriftelijke beschouwing en het ouderdossier op 12 mei 2025 heeft ontvangen. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende stelt dat het niet mogelijk is om de hoogte van de KOT en de totstandkoming van het advies van CvW op zorgvuldigheid te controleren. Dit geldt eveneens voor de compensatieberekening.

De Commissie heeft deze bezwaargrond opgevat als een stelling dat de bestreden beschikking in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

De Commissie kan UHT volgen in haar standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het onderliggende onderzoek. Door middel van de beschouwing en de bijbehorende producties is de bestreden beschikking voldoende onderbouwd en zorgvuldig tot stand gekomen. Deze bezwaargrond wordt daarom verworpen.

De Commissie dient te beoordelen of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2009, 2010 en de maanden januari 2011 tot en met juli 2011 op de juiste wijze heeft berekend.

De Commissie zal verder ingaan op de compensatieberekening met de volgende componenten:

  • Rente en kosten;
  • Rentevergoeding voor gemiste KOT;
  • Vergoeding voor immateriële schade.

Rente en kosten

De Commissie meent dat UHT door te verwijzen naar de betaal- en verrekenoverzichten (hierna: LIC-overzichten) voldoende en overtuigend heeft uitgelegd hoe de bedragen voor de jaren 2010 en 2011 zijn vastgesteld op respectievelijk € 1.531 en € 876. De Commissie ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze bedragen. Deze bezwaargrond wordt daarom verworpen.

Rentevergoeding voor gemiste KOT

UHT heeft in de schriftelijke beschouwing ambtshalve vastgesteld dat de rentevergoeding voor gemiste KOT over de jaren 2009 tot en met 2011 onjuist is berekend. De correcte bedragen zijn: € 1.511, € 5.945 en € 3.168. De Commissie kan zich verenigen met deze uitleg en de verwijzing naar de gemaakte berekening. Het bezwaar van belanghebbende wordt daarmee gegrond verklaard.

Vergoeding voor immateriële schade

Wat betreft de ingangsdatum van de vergoeding voor immateriële schade overweegt de Commissie dat deze, op grond van artikel 2.3, vierde lid, van de Wht, dient te worden gesteld op de dagtekening van de eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT, of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT, die een direct gevolg is van (onder meer) vooringenomen handelen van B/T.

Naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende op dit onderdeel, stelt de Commissie vast dat belanghebbende in toeslagjaar 2010 met de beschikking van 9 december 2010 voor het eerst werd geconfronteerd met een neerwaartse correctie van de KOT van € 12.795 naar € 189. Deze datum - en niet de aanvankelijk door UHT aangehouden datum van 24 december 2010 - moet daarom als startdatum worden aangehouden, zoals tijdens de hoorzitting door UHT ook is erkend.

Aangezien sprake is van (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het bezwaar, dient de periode waarover de immateriële schade wordt berekend door te lopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar. Dit geldt ook voor de vaste vergoeding voor overige schade van 1%.

De Commissie ziet zich verder gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2008 en de maanden augustus tot en met december van het jaar 2011 af te wijzen.

Belanghebbende stelt dat het jaar 2008 ten onrechte niet in de herbeoordeling is betrokken, terwijl er KOT is aangevraagd en toegekend. Het toekennen van compensatie is dan ook aan de orde. In reactie daarop heeft UHT duidelijk gemaakt dat in geen enkel systeem van de Belastingdienst iets is aangetroffen dat wijst op een aanvraag van KOT door belanghebbende voor het jaar 2008. Nu op geen enkele wijze uit de stukken blijkt of anderszins aannemelijk is geworden dat belanghebbende in het jaar 2008 daadwerkelijk aanspraak had op KOT, is de Commissie van mening dat belanghebbende voor dit jaar geen beroep op de Wht kan doen.

Tijdens de hoorzitting is gebleken dat de afwijzing van compensatie over (een gedeelte van) 2011 niet meer in geschil is.

Proceskostenvergoeding

Nu de primaire beschikking naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking van 19 oktober 2023 gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • in de compensatieberekening voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 de rentevergoeding voor gemiste KOT aan te passen naar de volgende bedragen: €1.511, € 5.945 en € 3.168.
  • de vergoeding voor immateriële schade opnieuw te berekenen en daarbij uit te gaan van de startdatum 9 december 2010 en deze te laten doorlopen tot en met de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen.
  • de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) aan te passen;
  • een proceskostenvergoeding voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten tegen het hoogste tarief, met een wegingsfactor van twee.

Secretaris

Fungerend voorzitter