BAC 2025-15391
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 3 april 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 30 juni 2025 om 15:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 8 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2016 en 2017.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 oktober 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016 en 2017.
- UHT heeft bij beschikking van 7 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 maart 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2016 en 2017.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 mei 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 4 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 30 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat sprake is van schending van het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Zonder volledig dossier is het voor haar niet inzichtelijk hoe UHT tot de weigering van compensatie heeft besloten.
UHT heeft het dossier, met daarin de op de zaak betrekking hebbende stukken, en een schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen. Op de hoorzitting heeft belanghebbende gelegenheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.
De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikkingen voldoende heeft toegelicht. Hiernaast geldt dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” (hierna: LIC) en de overige producties de bestreden beschikking voldoende is onderbouwd.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Geen vooringenomen handelen of hardheid
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat over toeslagjaar 2016 geen (neerwaartse) correcties zijn gedaan en dat er geen KOT is teruggevorderd door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna B/T). De als voorschot toegewezen KOT is gelijk aan het uiteindelijk definitief vastgestelde bedrag.
Voor toeslagjaar 2017 blijkt de verlaging van de KOT gebaseerd op de door belanghebbende zelf doorgegeven stopzetting per 1 maart 2017.
B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag vertrouwen op de inkomensgegevens van ouders zoals deze in het systeem van de belastingdienst worden verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.
De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaren 2016 en 2017 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT voor toeslagjaar 2017 was gelegen in een te hoog voorschot dat op basis van een reguliere wijziging, de stopzetting door belanghebbende, opnieuw is berekend. Deze bijstelling is conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om dit verzoek af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter