BAC 2025-15389
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 11 december 2023 met kenmerk UHT-DCHOA
Hoorzitting: 4 juli 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 21 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 11 december 2023.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2015.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 15 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2014. Nadien is ook verzocht om herbeoordeling van het jaar 2015.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 december 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2015.
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 december 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 26 juli 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 25 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 4 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende heeft aangevoerd dat UHT heeft verzuimd stukken te overleggen, die voor de beoordeling van het bezwaar relevant zijn. De Commissie overweegt ter zake als volgt.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen” (LIC-overzichten), zijn tijdig aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de stellingname van belanghebbende geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Van schending van even genoemd artikellid is dan ook niet gebleken. De door belanghebbende in dit verband geuite bezwaren kunnen dan ook niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom deze bezwaren ongegrond te verklaren.
Inhoudelijke bezwaren
Schending van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Beoordeelde toeslagjaren
De KOT voor de jaren 2012 tot en met 2015 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, veelal bijgesteld naar aanleiding van door belanghebbende zelf aangeleverde informatie. Uit die informatie volgt dat in deze jaren (onder meer) de KOT is bijgesteld vanwege het toetsingsinkomen of een wijziging in het aantal uren kinderopvang.
Met betrekking tot toeslagjaar 2012 overweegt de Commissie dat UHT in de beschouwing voldoende heeft onderbouwd waar het bedrag van € 12.974,60 vandaan komt.
Dit bedrag betreft de daadwerkelijke opvangkosten voor het jaar 2012, zoals ook volgt uit de KOI-viewer. UHT mag in beginsel vertrouwen op de gegevens in de KOI-viewer wanneer zij daarin zijn opgenomen, tenzij er contra-indicaties zijn dat de gegevens niet kloppen. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake. Uiteindelijk is bij definitieve beschikking van 30 mei 2014 ter zake van de gemaakte kosten € 9.951 aan KOT toegekend aan belanghebbende.
Voor wat betreft toeslagjaar 2013 is de Commissie van oordeel dat in dit jaar de KOT grotendeels is gecorrigeerd op grond van wijzigingen die door belanghebbende zelf zijn doorgevoerd. Zo is op 12 februari 2013 de KOT verhoogd op basis van door belanghebbende doorgevoerde wijziging in het aantal opvanguren. Vervolgens is op 21 maart 2013 de KOT verlaagd op basis van de door belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT voor één kind. Nadien heeft belanghebbende per 1 november 2013 de KOT stopgezet voor het kind. Op 31 oktober 2013 is dit kind namelijk vier jaar geworden en om die reden is hij in november en december van dit jaar niet meer naar de dagopvang geweest. Belanghebbende heeft, ter zitting, gesteld dat wel sprake was van gekwalificeerde opvang in deze maanden, maar heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. Bij de definitieve beschikking van 29 mei 2015 heeft Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) besloten dat belanghebbende recht had op een lager bedrag aan KOT dan in eerste instantie bij de voorschotbeschikkingen is bepaald.
Dit heeft tot gevolg gehad dat belanghebbende gehouden was om een bedrag van € 6.669 terug te betalen. De reden voor verlaging was dat het aantal uren dat belanghebbende heeft afgenomen in 2013 in werkelijkheid lager ligt dan het aantal uren dat belanghebbende zelf heeft doorgegeven in de aanvraagformulieren. B/T heeft het aantal uren kinderopvang dat door belanghebbende is afgenomen gebaseerd op gegevens uit de KOI-viewer. Belanghebbende heeft toentertijd bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 29 mei 2015, maar dit bezwaar is ongegrond verklaard. Derhalve is de Commissie ook voor dit jaar van oordeel dat UHT in beginsel mag uitgaan van de informatie uit de KOI-viewer en dat geen aanleiding bestaat om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen.
Verder is de Commissie van oordeel dat de doorgevoerde wijzigingen in 2014 en 2015 het directe gevolg zijn van de verwerking van informatie die de B/T van belanghebbende heeft ontvangen nadat zij een vraag- en rappelbrief met een verzoek om informatie had gestuurd. Ook in 2015 was sprake van een verlaging van de KOT naar aanleiding van een door belanghebbende doorgegeven stopzetting.
De verplichting tot terugbetaling van de KOT voor de bovengenoemde jaren is het gevolg van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties over deze toeslagjaren wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. De bezwaargronden van belanghebbende treffen dan ook geen doel.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de primaire besluiten te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter