BAC 2025-15382
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 14 september 2022 met kenmerken UHT-DC I, UHT-DC I A, UHT-DH5 A.
Hoorzitting: 18 augustus 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 1 september 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de wettelijke vergoedingen opnieuw te berekenen, de jaren 2009 en 2010 alsnog te beoordelen en de verzochte proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904;) compensatie toegekend voor een bedrag van in totaal € 46.204,- voor het jaar 2011 en de maanden januari tot en met juli 2012.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft UHT op 27 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). UHT heeft bij de herbeoordeling gekeken naar de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 en haar voorgenomen beschikkingen voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW).
- De CvW heeft op 29 juli 2022 het verzoek van belanghebbende beoordeeld en aangegeven dat belanghebbende over de toeslagjaren 2012 (augustus tot en met december) en 2013 geen recht heeft op compensatie.
- UHT heeft belanghebbende bij beschikking 14 september met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A medegedeeld dat zij geen compensatie zal toekennen over de toeslagjaren 2012 (augustus tot en met december) en 2013.
- UHT heeft belanghebbende bij beschikking van 14 september 2022 met kenmerk UHT-DC I een compensatiebedrag toegekend van in totaal € 46.402,-wegens vooringenomen handelen voor het toeslagjaar 2011 en de maanden januari tot en met juli 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 april 2024, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 10 april 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 18 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2012 (augustus tot en met december) en 2013 af te wijzen.
Procedurele bezwaren
Meer in zijn algemeenheid heeft belanghebbende in bezwaar gesteld dat de bestreden beschikkingen in strijd zijn met het rechtszekerheids-, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De Commissie is het met belanghebbende eens, zoals hierboven overwogen, dat de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I ondeugdelijk is gemotiveerd.
De Commissie ziet echter geen aanleiding, mede gelet op de gronden van het bezwaar, om te veronderstellen dat UHT bij de totstandkoming van de overige bestreden beschikkingen onzorgvuldig heeft gehandeld, of dat de bestreden beschikkingen in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel.
Afgewezen toeslagjaren
Bij het bestreden besluit van 14 september 2022 heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2012 (augustus tot en met december) en 2013 geen recht heeft op compensatie op basis van vooringenomen handelen dan wel hardheid van het stelsel. Uit het ouderverhaal maakt de Commissie op dat belanghebbende heeft verklaard dat gedurende deze jaren er geen sprake was van gekwalificeerde opvang. Ter zitting heeft belanghebbende betwist dit te hebben verklaard.
Volgens belanghebbende betreft dit de interpretatie dan wel samenvatting van het gesprek die zij met de persoonlijk zaakbehandelaar heeft gehad. Deze samenvatting is niet door belanghebbende geaccordeerd.
De Commissie overweegt dat, gelet op het een en ander, het niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2012 (augustus tot en met december) en 2013 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. Er zijn geen documenten, bewijsstukken of vastleggingen in de systemen van B/T aangetroffen die wijzen op door belanghebbende genoten, gekwalificeerde opvang. De enkele betwisting dat de optekening van het gesprek niet door belanghebbende zou zijn geaccordeerd, is objectief gezien onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake zou zijn van vooringenomen handelen door B/T. De Commissie heeft verder geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen en acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.
Niet beoordeelde toeslagjaren
Ter zitting heeft belanghebbende met verwijzing naar recente rechtspraak (ECLI:NL:RBOT:2024:13134) naar voren gebracht dat de toeslagjaren 2009 en 2010 niet zijn beoordeeld. Zij heeft verzocht om een beoordeling van deze jaren. Weliswaar bevindt zich in het dossier (blz. 15 Informatie- en beoordelingsformulier) een vermelding dat de KOT toekenning probleemloos is verlopen, maar dit betreft, aldus belanghebbende, een conclusie die niet door haar zo is verteld. Gelet hierop heeft UHT toegezegd om de jaren 2009 en 2010 alsnog integraal te beoordelen. Deze jaren zullen echter niet in onderhavige bezwaarprocedure kunnen worden meegenomen aangezien in het ouderdossier zich over deze jaren geen gegevens bevinden. Het betreft een nieuwe beoordeling waarbij UHT een nieuw besluit zal nemen. Belanghebbende krijgt vervolgens opnieuw de mogelijkheid om tegen het besluit in bezwaar te komen. Belanghebbende gaat hiermee akkoord. De Commissie adviseert overeenkomstig.
Beoordeling forfaitaire compensatieberekening
Tussen partijen is niet in geschil dat B/T tegenover belanghebbende over de toeslagjaren 2011 en de maanden januari tot en met juli 2012 individueel vooringenomen heeft gehandeld en dat er sprake was van hardheid van het stelsel. UHT heeft bij beschikking van 14 september 2022 met kenmerk UHT-DCH een forfaitair compensatiebedrag van in totaal € 46.204,- toegekend aan de hand van een compensatieberekening.
UHT heeft in haar haar schriftelijke beschouwing ambtshalve de compensatieberekening getoetst en zij heeft daarbij geconcludeerd dat er fouten zijn gemaakt bij de berekening van diverse onderdelen voor de jaren 2011 en 2012. Het gaat om de componenten:
p) aanvullende vergoeding 1% over het subtotaal (2012)
a) het bedrag aan KOT voor de onterechte neerwaartse bijstelling (2012);
f) het verschil met de laatst vastgestelde beschikking KOT (2011);
n) de immateriële schadevergoeding (2011 en 2012);
o) de rente gemiste KOT (2011 en 2012);
UHT geeft aan de bedragen conform haar schriftelijke reactie van 10 april 2025 te zullen aanpassen bij de beslissing op bezwaar voor zover dit niet in het nadeel van belanghebbende is. De Commissie komt niet tot een ander oordeel, acht de berekening van UHT juist en zal in lijn hiermee adviseren.
De Commissie adviseert UHT de beschikking met het kenmerk UHT-DC I op dit punt te herroepen, deze toezeggingen bij de beslissing op bezwaar gestand te doen en aan belanghebbende een nieuwe berekening ter hand te stellen.
Hardheid en beslagvrije voet
Volgens belanghebbende heeft de BD/T in de toeslagjaren 2012 en 2013 geen rekening gehouden met de beslagvrije voet. Daarom is er sprake van hardheid van het stelsel. De Commissie begrijpt de stellingname van belanghebbende aldus dat bij een eventuele verrekening geen rekening met de beslagvrije voet is gehouden. De Commissie overweegt dat het verrekenen van terechte terugvorderingen geen compensatie op grond van hardheid oplevert. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad.
Aan de bezwaargrond dat de B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, komt de Commissie gelet op wat hiervoor is overwogen niet meer toe. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
De bezwaren zijn gedeeltelijk gegrond. De Commissie adviseert UHT de proceskosten van belanghebbende te vergoeden. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar deels gegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHT-DC 1 te herroepen;
- de vergoeding voor immateriële schade (component n) te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar;
- de rentevergoeding voor gemiste KOT (component o) opnieuw te berekenen met inachtneming van artikel 27 Awir;
- de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal (component p) van het compensatiebedrag aan te passen;
- de toeslagjaren 2009 en 2010 alsnog te beoordelen;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van 2 procespunten met een wegingsfactor 2. De Commissie adviseert daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Secretaris
Fungerend voorzitter