BAC 2025-15380
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 februari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 31 juli 2025 om 13:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 1 september 2025
Samenvatting
De Commissie adviseert om het bezwaar tegen de beschikking met de kenmerk UHT-DCHOA gegrond te verklaren en aan belanghebbende ter zake van dat bezwaar een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het jaar 2006.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 december 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2015. Nadien is dit verzoek in overleg met belanghebbende gewijzigd naar enkel het toeslagjaar 2006.
- UHT heeft bij beschikking van 12 februari 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor het jaar 2006.
- Gemachtigde heeft bij brief van 26 maart 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 10 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 31 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Compleetheid dossier en motivering besluit
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het bezwaardossier onvolledig is en dat derhalve niet kan worden vastgesteld of alle relevante stukken aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd.
De Commissie stelt vast dat UHT in dit dossier de beschikbare op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De definitieve beschikking beoordeling KOT is vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De gegevens zijn afkomstig van onder meer het integrale beoordelingsformulier, een RKT-bestand, een SAS-overzicht en een overzicht van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC). De Commissie is daarom van oordeel dat belanghebbende op basis van de opgenomen stukken voldoende inzicht heeft kunnen verkrijgen in de totstandkoming van de bestreden beschikking. Het bezwaar dat het dossier in algemene zin onvolledig is, wordt ongegrond verklaard.
Toeslagjaar 2006
Ten aanzien van het toeslagjaar 2006 komt de Commissie echter tot een ander oordeel. Belanghebbende heeft ter zitting aangegeven dat zij gedurende het hele jaar 2006 kinderopvang heeft genoten en KOT heeft ontvangen. Zij ontkent dat zij de KOT op 15 mei 2006 heeft stopgezet. UHT heeft tijdens de hoorzitting gesteld dat belanghebbende de KOT op 15 mei 2006 heeft stopgezet en dat de neerwaartse bijstelling van het recht op KOT in dat jaar is gebaseerd op een door belanghebbende overgelegde jaaropgave. In antwoord op de vraag van de Commissie waar deze stukken zich in het dossier bevinden, heeft UHT gesteld dat zowel een document waaruit blijkt dat de KOT is stopgezet als een kopie van de jaaropgave van 2006 in het dossier ontbreekt. Omdat in de systemen van UHT niet is terug te vinden dat belanghebbende de KOT heeft stopgezet, is de Commissie van oordeel dat UHT haar standpunt ten aanzien van de stopzetting van de KOT en de neerwaartse bijstelling onvoldoende heeft onderbouwd. Het zou UHT, gelet op de geest en strekking van de Wht, hebben gesierd belanghebbende het voordeel van de twijfel te geven.
Bovendien heeft de Commissie vastgesteld dat UHT heeft nagelaten om, zoals voorgeschreven in artikel 4 van de Regeling Werkwijze Commissie van Wijzen, het dossier van belanghebbende aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) voor te leggen. UHT heeft hiervoor geen reden of nadere toelichting verstrekt.
Nu de motivering van het besluit voor het toeslagjaar 2006 onvoldoende is, is sprake van een motiveringsgebrek. Het bezwaar is op dit punt gegrond.
Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over haar volledige dossier. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 3 juni 2025 ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen - en daarvan gebruik gemaakt - om haar standpunt uiteen te zetten. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom het toeslagjaar 2005 niet is meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over dit jaar sprake was van KOT.
De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op het toeslagjaar 2006. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft het toeslagjaar 2005 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. De Commissie heeft goede nota genomen van de op de zitting gedane toezegging van UHT om het verzoek van belanghebbende om herbeoordeling van KOT jaar 2005 in het reguliere proces voor de integrale beoordeling in behandeling te nemen. Nu deze werkwijze geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie onderhavige bezwaarprocedure niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
Automatische continuatie van KOT
Belanghebbende betoogt dat de bepaling van haar KOT op basis van automatische continuatie als onzorgvuldig moet worden beschouwd. Volgens belanghebbende mocht van B/T worden verwacht dat extra waarborgen worden ingebouwd om liquiditeitsproblematiek wegens terugbetalingen en latere verrekeningen van eerder toegekende KOT te voorkomen. De Commissie overweegt als volgt. De Commissie begrijpt dat de inrichting van het toeslagensysteem als zodanig voor vervelende ervaringen heeft gezorgd aan de zijde van belanghebbende. In deze bezwaarprocedure wordt echter uitsluitend getoetst of belanghebbende recht heeft op compensatie op basis van de Wht. De onderhavige bezwaarprocedure ziet niet op de toetsing van de wijze waarop het toeslagensysteem is ingericht. Het bezwaar kan daarom op dit punt niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden. Het bezwaar is ongegrond.
Volgens belanghebbende is geen rekening gehouden met het feit dat het lang duurde voordat het toeslagjaar 2006 tot toepassing van de beslagvrije voet werd overgegaan. UHT stelt dat B/T bij verrekeningen van KOT geen rekening hoeft te houden met de beslagvrije voet, nu KOT niet wordt beschouwd als inkomensondersteuning, maar is bedoeld als bevordering van de arbeidsparticipatie. De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j van het Wetboek van Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van het begrip vooringenomen handelen. De Commissie is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van hardheid van het stelsel. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie om het verzoek om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand ter zake van die bezwaarprocedure toe te wijzen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHOA gegrond te verklaren en in de beslissing op bezwaar nader te motiveren hoe het toeslagjaar 2006 is beoordeeld;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen voor deze bezwaarprocedure.
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter