BAC 2025-15360
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 29 augustus 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 28 juli 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 20 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2013 en 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 4 november 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 tot en met 2014. De persoonlijke zaakbehandelaar (hierna: PZB) heeft na een gesprek, in overleg met de belanghebbende, de herbeoordeling beperkt tot de toeslagjaren 2013 en 2014.
- UHT heeft bij beschikking van 8 december 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 5 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geconcludeerd dat gedurende de betrokken toeslagjaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2013 en 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 november 2023, ingekomen op 15 november 2013, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 15 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 28 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Zowel UHT als gemachtigde hebben ter zitting aanvullende stukken ingediend bij de Commissie.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie naar aanleiding van de zitting per e-mail van 28 juli 2025 verzocht, op 1 augustus 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend, gedateerd 31 juli 2025. Belanghebbende heeft daar inhoudelijk niet op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder de tijdlijn en het informatie- en beoordelingsformulier - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking(en) leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Persoonlijk dossier/onvolledig dossier/Equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en een volledig ouderdossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. Bovendien stelt belanghebbende dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, die volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift met de bijbehorende producties is op 3 april 2025 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking en gelegenheid gehad om daarop te reageren.
Met betrekking tot het persoonlijk dossier overweegt de Commissie dat het voorgaande anders kan zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.
Bovendien merkt de Commissie op dat het feit dat gemachtigde zowel in zijn bezwaarschrift als ter zitting stelt dat geen overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) aanwezig zijn in het dossier, niet tot een ander advies leidt nu in de betrokken toeslagjaren nooit kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) is uitgekeerd aan belanghebbende.
Gelet op het bovenstaande acht de Commissie het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.
Hardheid van het stelsel (geen rekening gehouden met beslagvrije voet) Belanghebbende betwist dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) over de toeslagjaren 2013 en 2014 rekening heeft gehouden met haar beslagvrije voet.
Aan belanghebbende is geen KOT toegekend inzake de toeslagjaren 2013 en 2014. In deze jaren is daarom ook geen sprake geweest van terugvorderingen en/of verrekeningen, waardoor niet wordt toegekomen aan de beslagvrije voet. Dit bezwaarpunt kan niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat – compensatie - leiden.
Belanghebbende stelt dat in de toeslagjaren 2013 en 2014 sprake is geweest van vooringenomenheid, dan wel dat zij gecompenseerd moet worden op grond van hardheid in de zin van artikel 9.1 van de Wht. Belanghebbende stelt dat zij zelf nooit KOT heeft aangevraagd en dat zij vermoedt dat iemand anders misbruik heeft gemaakt van haar Digid.
Aangezien uit de stukken niet blijkt en ook niet op een andere manier aannemelijk is geworden dat belanghebbende in die toeslagjaren aanspraak heeft gemaakt op KOT, terwijl ook geen sprake is geweest van (een terugvordering van de) KOT, concludeert de Commissie dat belanghebbende geen schade heeft geleden als gevolg van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. Zij kan voor deze toeslagjaren dus geen beroep op de Wht doen.
Voor zover belanghebbende stelt dat destijds met de DigiD van een ander namens belanghebbende KOT is aangevraagd, omdat dit in die tijd mogelijk was, overweegt de Commissie als volgt. De Commissie kan zich verenigen met het standpunt van UHT dat uit de door belanghebbende ter zitting overgelegde aanvullende stukken blijkt dat het ondertekenen met andermans DigiD sinds het voorjaar van 2011 niet meer mogelijk was. Tevens kan de Commissie zich verenigen met het standpunt van UHT dat uit het Xml-bestand inzake de KOT-aanvraag gedateerd 19 september 2013 blijkt dat belanghebbende zowel de ondertekenaar als de belanghebbende van of bij de aanvraag is, dat de ondertekening is gedaan met DigiD en dat de DigiD-authenticatie is gekoppeld aan het BSN uit het Xml-bestand. De Commissie acht het, gezien de beschikbare stukken, dus in voldoende mate waarschijnlijk dat door, dan wel namens, belanghebbende KOT is aangevraagd en dat de persoon die de aanvraag heeft ondertekend dit met haar eigen DigiD heeft gedaan.
Voor zover belanghebbende stelt dat iemand anders destijds misbruik heeft gemaakt van haar DigiD en zodoende heeft geprobeerd KOT te ontvangen, overweegt de Commissie als volgt. Om een aanvraag KOT te kunnen doen, moet de aanvrager inloggen met haar of zijn persoonlijke DigiD-inloggegevens. Daarmee heeft de B/T willen bewerkstelligen dat alleen een rechthebbende op de toeslag een dergelijke aanvraag kan indienen. Een DigiD biedt immers een persoonsgebonden ingang naar een digitaal portaal. Daarbij neemt de Commissie in overweging het feit dat belanghebbende wisselend heeft verklaard over het in die tijd delen van haar inloggegevens met anderen. De Commissie sluit niet uit dat belanghebbende te goeder trouw die gegevens aan een of meer anderen beschikbaar heeft gesteld. Dit neemt echter niet weg dat het delen van DigiD-inloggegevens voor rekening en risico van belanghebbende dient te komen.
Gelet op voorgaande overwegingen ziet de Commissie in het bezwaar geen aanleiding om het advies van CvW en de daarop gebaseerde beslissing van UHT onjuist te achten. Het bezwaar kan niet tot het gewenste resultaat – compensatie - leiden.
Belanghebbende stelt (gevolg)schade te hebben geleden door het handelen van B/T. De Commissie merkt hierover op dat voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade in aanmerking komt (1) de ouder bij wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T, (2) de ouder die ten onrechte een kwalificatie opzet/grove schuld heeft gekregen en aan wie daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd of (3) de ouder aan wie ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en aan wie op grond van artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt. De Commissie is van mening dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen.
Daarom komt belanghebbende ook niet in aanmerking voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter