Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15359

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 18 december 2023 (UHT-DCH)

Overdracht advies aan UHT: 5 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek tot vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 26 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 en 2012. In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling uitgebreid met het jaar 2013.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende voor het jaar 2012 (januari tot en met november) een compensatie toegekend van € 9.736. Voor 2011 en 2013 is geen compensatie toegekend.
  • Gemachtigde heeft op 11 maart 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft op 11 april 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 30 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 21 oktober 2025 namens belanghebbende aangegeven dat geen behoefte bestaat om het bezwaar tijdens een hoorzitting nader toe te lichten en heeft de Commissie verzocht advies in deze zaak op de stukken te doen.
  • Gemachtigde heeft op 26 november 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 13 november 2025 in een aanvullende beschouwing daarop gereageerd. Deze is op 9 december 2025 door de Commissie ontvangen.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie over januari tot en met november van het toeslagjaar 2012 op de juiste wijze heeft berekend en of UHT op goede gronden geen compensatie of tegemoetkoming O/GS heeft toegekend over 2011 en 2013 en de maand december van het toeslagjaar 2012.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet nu niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht.

Onvolledig dossier/persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen zijn aan belanghebbende toegezonden.

De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Forfaitaire bedrag materiële en immateriële schade

Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiële schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of teruggevorderd. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen.

Sinds 25 november 2025 is er een nieuw digitaal informatie- en aanmeldportaal via de website schadeherstel.toeslagen.nl. Gedupeerde ouders die vinden dat zij meer schade hebben geleden door de problemen met de KOT dan zij in de integrale beoordeling (IB) vergoed hebben gekregen, kunnen zich via voornoemd digitaal portaal aanmelden.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Omissies/niet toegekende KOT

Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per toeslagjaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Informatie uit de KOI-viewer

Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.

De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Werkelijke schade

Belanghebbende voert aan dat hij meer schade heeft geleden dan waarvoor aan hem compensatie is toegekend. Belanghebbende verwijst in dit verband naar persoonlijke leningen waarvan zij zich op het standpunt stelt dat deze voor vergoeding in aanmerking komen. De Commissie overweegt als volgt.

Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Sinds 25 november 2025 is er een nieuw digitaal informatie- en aanmeldportaal via de website schadeherstel.toeslagen.nl. Gedupeerde ouders die vinden dat zij meer schade hebben geleden door de problemen met de KOT dan zij in de integrale beoordeling (IB) vergoed hebben gekregen, kunnen zich via voornoemd digitaal portaal aanmelden.

FSV-lijst

De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

O/GS

UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar productie 1300001, te vinden op pagina 261 van het dossier, toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Toeslagjaar 2011

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correctie in KOT over dit toeslagjaar was gelegen in door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen in het aantal afgenomen opvanguren en veranderingen in het toetsingsinkomen van belanghebbende. Deze bijstelling is conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012

Ten aanzien van het toeslagjaar 2012 is belanghebbende over de periode januari tot en met november gecompenseerd op grond van vooringenomen handelen. UHT stelt zich ten aanzien van de maand december op het standpunt dat sprake is van evident geen recht omdat niet aannemelijk is over deze maand sprake is geweest van geregistreerde kinderopvang. De Commissie ziet geen aanleiding om UHT niet in haar betoog te volgen. Uit de voorhanden zijnde stukken, waaronder de jaaropgave over het toeslagjaar 2012, blijkt niet dat over de maand december (nog) sprake is geweest van geregistreerde kinderopvang. Gemachtigde heeft voorts geen gegevens ingebracht die in een andere richting wijzen. De Commissie adviseert het bestreden besluit op dit onderdeel in stand te laten.

Toeslagjaar 2013

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2013 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correctie in KOT over dit toeslagjaar was gelegen in een stopzetting per 1 december 2012 door belanghebbende zelf. Deze bijstelling is conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De hoogte van de compensatieberekening

Belanghebbende betwist de juistheid van de berekening van de hoogte van het bedrag aan compensatie over het toeslagjaar 2012. UHT heeft in haar beschouwing van 30 januari 2025 opgemerkt dat de rentevergoeding over gemiste KOT (component f) in het nadeel van belanghebbende verkeerd is berekend. UHT heeft toegezegd dat dit bedrag in de beslissing op bezwaar zal worden aangepast. De Commissie adviseert dienovereenkomstig. Het bezwaar is in zoverre gegrond. Omdat aanpassing van de rentevergoeding over gemiste KOT herroeping van het bestreden besluit ten gevolge heeft, adviseert de Commissie UHT - aansluitend bij haar eigen standpunt – om de vergoeding voor immateriële schade en alle op grond van de Wht daarmee samenhangende vergoedingen opnieuw te berekenen.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie adviseert tot het herroepen van de bestreden beschikking, adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies.

Tevens adviseert de Commissie het verzoek tot vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter