Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15354

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 november 2023 met kenmerk UHT-DCH (hierna: bestreden beschikking)

Hoorzitting: 1 augustus 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 24 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie Kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 31.767 voor de jaren 2008 en 2009.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 16 mei 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2010. In overleg met belanghebbende is 2011 hieraan toegevoegd.
  • UHT heeft bij beschikking van 29 december 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie in het vooruitzicht gesteld voor een bedrag van € 31.694. Omdat belanghebbende al een bedrag van € 30.000 had ontvangen, krijgt zij nog € 1.694.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van € 31.767. Betrokkene ontvangt nog een extra bedrag van € 73.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 11 december 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 8 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 1 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 25 augustus 2025 een aanvullende beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft daar op 1 oktober 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Belanghebbende heeft, onder meer onder inroeping van het equality of arms-beginsel, aangevoerd dat UHT heeft verzuimd stukken te overleggen, die voor de beoordeling van het bezwaar relevant zijn. De Commissie overweegt ter zake als volgt.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen” (LIC-overzichten), zijn tijdig aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de stellingname van belanghebbende geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Van schending van even genoemd artikellid is dan ook niet gebleken. De door belanghebbende in dit verband ontwikkelde bezwaren kunnen dan ook niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom deze bezwaren ongegrond te verklaren.

De inhoudelijke bezwaren over toeslagjaar 2011 en de compensatieberekening

De Commissie overweegt dat UHT in de beschouwing heeft aangegeven over mei 2009 alsnog compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid. In de aanvullende beschouwing concludeert UHT over toeslagjaar 2010 het volgende “ We concluderen daarom dat hier, in deze zeer uitzonderlijke situatie, sprake is van een bijzondere omstandigheid die recht geeft op compensatie wegens hardheid, omdat de nadelige gevolgen onevenredig hard voor u hebben uitgepakt. Voor toeslagjaar 2010 rekenen we bij onderdeel A van de compensatieberekening met €2.032, het bedrag dat niet aan u ten goede is gekomen. Hoe hoog het exacte compensatiebedrag wordt zal pas duidelijk zijn op de datum van de beslissing op uw bezwaar. Deze datum is nu nog niet bekend”.

De Commissie kan zich verenigen met het nadere standpunt van UHT en adviseert UHT overeenkomstig dit nadere standpunt te beslissen bij de beslissing op bezwaar en de door belanghebbende op dit punt opgeworpen bezwaren gegrond te verklaren.

De commissie ziet zich vervolgens gesteld voor de beantwoording van de vragen of UHT terecht heeft besloten geen compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2011 en of UHT de compensatie over de toeslagjaren 2008 en 2009 juist heeft berekend.

Met betrekking tot de eerste vraag (toeslagjaar 2011) overweegt de Commissie als volgt. Belanghebbende stelt dat zij ook recht heeft op compensatie voor het jaar 2011, omdat B/T de KOT ook in dit jaar heeft overgemaakt naar een verkeerd rekeningnummer, namelijk rekeningnummer 533394570. Weliswaar staat dit rekeningnummer op de naam van [naam gastouderbureau] maar dit is niet hetzelfde gastouderbureau waar belanghebbende opvang heeft afgenomen. Belanghebbende heeft namelijk tot en met 2011 opvang afgenomen bij [naam gastouderbureau] te Culemborg. Bovendien stelt belanghebbende dat er in de Kamer van Koophandel verschillende inschrijvingen staan op de naam [naam gastouderbureau]. B/T had destijds beter moeten controleren of het rekeningnummer bij het juiste gastouderbureau hoort. Volgens belanghebbende is de KOT niet aan haar ten goede gekomen. Zij heeft de opvang uit eigen zak moeten betalen en is daardoor in de problemen gekomen. Verder betwist belanghebbende dat zij de KOT voor 2011 heeft stopgezet.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende op 23 november 2010 (opnieuw) een aanvraag heeft gedaan voor KOT. Naar aanleiding van deze aanvraag is bij voorschotbeschikking van 3 december 2010 de KOT vastgesteld op € 9.940. In deze beschikking staat dat de KOT maandelijks wordt uitbetaald op rekeningnummer 533394570. Op het LIC-overzicht is ook te zien dat de KOT in 2011 maandelijks daadwerkelijk is uitgekeerd op dit rekeningnummer. Op grond van het nadere onderzoek door UHT acht de Commissie het, zeker geplaatst tegen de achtergrond van hetgeen de gemachtigde van belanghebbende nog bij reactie van 1 oktober 2025 naar voren heeft gebracht, niet, althans onvoldoende, aannemelijk dat dit rekeningnummer hoort bij [naam gastouderbureau]. Nu de KOT 2011, naar moet worden aangenomen, niet aan belanghebbende ten goede is gekomen, is, aldus bezien, voor toeslagjaar 2011 sprake van hardheid. De Commissie adviseert dan ook om het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren.

Met betrekking tot de tweede vraag (2008 en 2009) overweegt de Commissie als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van hardheid in toeslagjaar 2008 en dat voor het jaar 2009 sprake is van vooringenomen handelen. UHT heeft, blijkens het gestelde in de schriftelijke beschouwing, zelf geconstateerd dat belanghebbende ook gecompenseerd moet worden wegens vooringenomenheid voor de maand mei 2009.

Verder stelt UHT dat de berekeningen van de compensatie over de jaren 2008 en 2009 in de compensatiebeschikking onjuist zijn geweest voor wat betreft de vergoeding van immateriële schade (component n). UHT heeft daarbij, onder verwijzing naar de bij die beschouwing behorende bijlage, uiteengezet hoe zij deze berekening bij de beslissing op bezwaar in het voordeel van belanghebbende zal aanpassen. De Commissie adviseert UHT daarom deze toezegging bij de beslissing op bezwaar gestand te doen en de door belanghebbende op dit punt opgeworpen bezwaren gegrond te verklaren.

Proceskosten

Nu de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert zij het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indiening van het bezwaarschrift en verschijnen ter hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Zoals in eerdere zaken adviseert de Commissie ook hier de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie UHT om:

  • het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH deels gegrond te verklaren en de, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre herroepen;
  • met betrekking tot de maand mei 2009 alsnog compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid;
  • met betrekking tot de jaren 2010 en 2011 alsnog compensatie toe te kennen op grond van hardheid;
  • het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen zoals hiervoor omschreven.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter