BAC 2025-15347
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 4 maart 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 21 mei 2025
Overdracht advies aan UHT: 18 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €20.075,- voor de jaren 2008 en 2009.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 23 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) zonder specifieke jaren te noemen. UHT heeft de jaren 2008 en 2009 herbeoordeeld omdat in die jaren sprake was van KOT.
- UHT heeft bij beschikking van 3 juni 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat hij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 4 maart 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €20.075,- voor de jaren 2008 en 2009.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 april 2024, ingekomen op 9 april 2024, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 11 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 19 mei 2025 nadere stukken toegezonden.
- Op 21 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft op 27 mei 2025 desgevraagd meegedeeld dat zij in de procedure van de echtgenote van belanghebbende de Commissie nog niet om advies heeft gevraagd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Ten aanzien van de bezwaarprocedure van de echtgenote van belanghebbende is gebleken dat UHT in deze procedure nog niet de Commissie om advies heeft gevraagd in afwachting van de keuze voor ambtelijk horen of horen door de Commissie. De bezwaarprocedures van belanghebbende en zijn echtgenote worden daarom niet gevoegd behandeld. De Commissie adviseert in dit advies alleen over het bezwaar van belanghebbende.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008 en 2009 op juiste wijze heeft berekend.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie overweegt dat belanghebbende op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb inzagerecht in zijn dossier heeft en voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
UHT heeft gedurende de bezwaarprocedure een uitgebreid bezwaardossier overgelegd en bijbehorende producties. Het komt de Commissie daarmee voor dat belanghebbende kan beschikken over de op zijn zaak betrekking hebbende stukken.
Beoordeling compensatieberekening over toeslagjaren 2008 en 2009
Groepsgewijs vooringenomen handelen
UHT heeft belanghebbende erkend als gedupeerde van groepsgewijs vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Gastouderbureau [naam] was namelijk betrokken bij een CAF-11 vergelijkbaar onderzoek dat liep in de periode 2007 tot en met 2009 (pagina 20). Voor de toeslagjaren 2008 en 2009 is belanghebbende daarom gecompenseerd op basis van vooringenomen handelen.
Bij de beschouwing heeft UHT een bijlage met de compensatieberekening overgelegd, waarin per component een toelichting is opgenomen. De Commissie bespreekt hieronder de compensatieberekening.
De Commissie meent dat het bedrag onder component f voor toeslagjaar 2009 onjuist is vastgesteld op €778,-. Component f is het verschil tussen component b (hier: €806,-) en de laatst vastgestelde beschikking (hier: €778). In de toelichting staat hierover:
Af: Verschil met laatst vastgestelde beschikking kinderopvangtoeslag.
Dit bedrag is het verschil tussen het bedrag bij punt b en de laatst vastgestelde beschikking kinderopvangtoeslag. Bijvoorbeeld als uw kinderopvangtoeslag later is verhoogd. Of na een bezwaar of beroep. Dit bedrag gaat van c af. Want hierdoor is uw kinderopvangtoeslag hoger geworden dan bij b. In dit bedrag kan ook rente zitten.
In de Bijlage compensatieberekening is deze som ook opgenomen: component f = laatst vastgestelde beschikking – component b.
Hierbij is er echter ten onrechte vanuit gegaan dat component b € 0,- is; dit zou €806,-moeten zijn.
Het juiste bedrag in component f voor toeslagjaar 2009 zou naar de Commissie meent dan ook €0,- moeten zijn. Dat betekent dat niet €778,- maar €0,- in aftrek wordt gebracht op het compensatiebedrag. Het compensatiebedrag wordt daardoor hoger, maar blijft naar het zich laat aanzien onder het al uitgekeerde bedrag van €30.000,-. Belanghebbende ontvangt daarom naar alle waarschijnlijkheid geen nabetaling. Wel is het bezwaar gegrond op dit punt.
UHT erkent dat component o (rente over gemiste KOT) en component n (vergoeding voor immateriële schade) onjuist zijn berekend.
Met betrekking tot component o is een onjuiste start- en einddatum gehanteerd. Als dit zou worden aangepast, valt het bedrag van de compensatie echter lager uit (producties 2700003 en 2700005). UHT heeft toegezegd dat dit bedrag niet wordt aangepast en dat belanghebbende het teveel ontvangen bedrag over toeslagjaren 2008 en 2009 niet hoeft terug te betalen. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis.
Ten aanzien van component n stelt UHT dat een onjuiste startdatum is gehanteerd, namelijk 13 september 2010 in plaats van 18 september 2010. Als einddatum is 14 maart 2024 gehanteerd in plaats van de datum van de primaire beschikking, 4 maart 2024. Dit leidt echter volgens UHT niet tot een hogere vergoeding voor immateriële schade omdat het aantal halve jaren gelijk blijft. De Commissie is op een andere grond van mening dat dit niet leidt tot een hogere vergoeding voor immateriële schade.
Anders dan UHT stelt in de Bijlage compensatieberekening is de vergoeding voor immateriële schade niet vastgesteld op €14.000,-, maar op €7.327,-. Het bedrag aan vergoeding voor immateriële schade is op grond van artikel 2.3 lid 4, Wht namelijk gemaximeerd tot het totaalbedrag onder component e, zoals ook vermeld onder n in de bijlage uitleg berekening definitief compensatiebedrag bij het bestreden besluit. Dit komt de Commissie juist voor.
Dat betekent dat ook bij een gegrond bezwaar, de vergoeding voor immateriële schade gehandhaafd blijft tot dit maximum. De Commissie zal in dit geval daarom niet adviseren de vergoeding te laten doorlopen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar, ondanks dat het bezwaar gegrond is.
De Commissie overweegt, voor zover nodig ten overvloede, dat de gehanteerde startdatum voor de vergoeding voor immateriële schade naar zij meent, wel juist is vastgesteld.
Op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht moet de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid.
UHT hanteert echter een voor belanghebbenden gunstiger beleid, waarbij zij voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade uitgaat van de datum van de eerste vooringenomen handeling door de B/T. De Commissie beveelt aan om dit beleid ook toe te passen in het geval van belanghebbende.
De Commissie adviseert UHT daarom de oorspronkelijke startdatum van 13 september 2010 (de eerste interne vooringenomen handeling) te blijven hanteren, overeenkomstig dit van de Wht afwijkende maar voor belanghebbende gunstiger gehanteerde beleid. De Commissie gaat ervan uit dat UHT dit beleid ook in vergelijkbare gevallen consistent toepast.
Belanghebbende stelt dat hij meer schade heeft geleden zoals inkomensschade, gezondheidsschade en opgebouwde schulden. De Commissie heeft van deze melding kennis genomen, maar overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade bestemd.
Gemachtigde is advocaat maar heeft niet expliciet verzocht om een proceskostenvergoeding. Aangezien belanghebbende wel wordt bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener en de Commissie van oordeel is dat het primaire besluit moet worden herroepen, adviseert de Commissie om belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de bijstand bij het indienen van het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting (2 procespunten met een wegingsfactor 2). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- component f voor toeslagjaar 2009 vast te stellen op €0,- in plaats van €778,- en de daarmee samenhangende componenten eveneens in het voordeel van belanghebbende aan te passen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
Secretaris
Fungerend voorzitter