Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15345

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA

Hoorzitting: 3 juni 2025

Overdracht advies aan UHT: 16 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van 16 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2016.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 9 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2013 tot en met 2018. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is de herbeoordeling uitgebreid naar de jaren 2005 tot en met 2016.
  • UHT heeft met de brief van 5 januari 2024 belanghebbende laten weten dat belanghebbende voorlopig niet in aanmerking kan komen voor compensatie op grond van vooringenomenheid, hardheid en tegemoetkoming Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS) over de jaren 2005 tot en met 2016.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 februari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2005 tot en met 2016 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft met de bestreden beschikking van 16 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met 2016.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 19 maart 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 18 februari 2025 schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
  • Op 3 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal eerst ingaan op de volgende bezwaargronden:

  • Onderliggende stukken;
  • Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

Onderliggende stukken

Gemachtigde voert aan dat ze niet over het volledige dossier beschikt.

De Commissie stelt vast dat aan de gemachtigde de schriftelijke beschouwing en het ouderdossier op 15 april 2025 zijn toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hiermee niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende voert aan dat de bestreden beschikking niet deugdelijk en daarmee in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen.

De Commissie kan UHT volgen in het door haar ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Door middel van de beschouwing en de bijhorende producties is de bestreden beschikking voldoende onderbouwd en op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Deze bezwaargrond treft geen doel.

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005 tot en met 2016 terecht heeft afgewezen.

Reguliere bijstellingen

De Commissie overweegt dat, gelet op de schriftelijke stukken en het verhandelde ter zitting, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2016 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel. Terugvorderingen van de KOT over deze toeslagjaren waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd.

Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt.

Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting de bezwaren over de jaren 2008, 2013, 2015 en 2016 nogmaals benadrukt.

Toeslagjaar 2008

Belanghebbende stelt dat zij de KOT vanaf 1 september 2008 niet zelf heeft stopgezet en het hele jaar kinderopvang heeft afgenomen. Over dit toeslagjaar heeft zij meer dan € 2.000 moeten terugbetalen. UHT benadrukt dat B/T ervanuit mag gaan dat de melding wel door haar of namens haar is gedaan. Uit het overzicht van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC) blijkt dat belanghebbende € 537 heeft terugbetaald. Het bedrag van € 1.443 is afgeboekt omdat de KOT neerwaarts is bijgesteld en belanghebbende dit bedrag niet heeft ontvangen. Zij hoefde dit bedrag dan ook niet terug te betalen.

De Commissie overweegt dat uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager ligt. Als aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op compensatie, wordt deze toegekend. Aannemelijk maken betekent dat belanghebbende aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat haar stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van de ouder wordt gevraagd alle ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat de stellingen van de ouder worden ondersteund door of passen bij de overige aanwezige informatie.

Uit de onderliggende stukken blijkt dat belanghebbende op 11 augustus 2008 digitaal aan B/T melding heeft gemaakt van de stopzetting van de KOT vanaf 1 september 2008. Hiervoor moest belanghebbende via het online portaal van de Belastingdienst met haar eigen DigiD inloggen om de melding door te geven. Het gevolg van deze stopzetting was een aanpassing van de KOT van € 5.765 naar €3.843. Indien belanghebbende deze melding niet zou hebben gedaan, had het voor de hand gelegen dat zij bezwaar zou hebben aangetekend tegen de beschikking van 12 september 2008 waarin de KOT werd verlaagd naar € 3.843. Belanghebbende komt in aanmerking voor compensatie indien zij aannemelijk heeft gemaakt dat daarop recht bestaat. De enkele stelling dat zij de stopzetting niet digitaal heeft ingediend bij B/T is daarbij onvoldoende. De Commissie is dan ook van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de stopzetting niet zelf bij B/T heeft doorgegeven.

Bovendien blijkt uit de KOI-viewer dat belanghebbende van 1 januari tot en met 31 augustus 2008 gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Dat zij het hele jaar kinderopvang heeft gebruikt, heeft belanghebbende niet met aanvullende informatie ondersteund.

De Commissie is voorts van oordeel dat UHT voldoende heeft toegelicht dat belanghebbende in 2008 een bedrag van € 537 heeft moeten terugbetalen, onder verwijzing naar het LIC-overzicht van 2008. Het bedrag van € 1.443 heeft B/T niet aan belanghebbende uitbetaald omdat de KOT neerwaarts werd bijgesteld. Uit het overzicht volgt dat het bedrag dat belanghebbende niet heeft ontvangen, wordt afgeboekt.

Toeslagjaar 2013

Belanghebbende betwist dat zij op 25 juni 2011 aan B/T heeft doorgegeven dat vanaf 1 mei 2013 de urenomvang aangepast moest worden naar 50 uur. Zij stelt het hele jaar kinderopvang te hebben afgenomen. B/T baseert de definitieve vaststelling van de KOT op de KOI-viewer, die niet altijd juist en volledig is. De periodes waarover KOT is toegekend, stemmen niet overeen. UHT voert aan dat aangenomen mag worden dat belanghebbende de urenverlaging heeft doorgegeven. Vanaf 1 mei 2013 werd gebruikgemaakt van buitenschoolse opvang in plaats van dagopvang. De berekende periode is wellicht niet juist, maar dit maakt voor de hoogte van de KOT niet uit, omdat deze nu over 8 maanden is uitgesmeerd in plaats van over 4 maanden. Belanghebbende is hierdoor niet vooringenomen behandeld.

De Commissie ziet in de stukken geen aanwijzingen dat belanghebbende de melding van 1 mei 2013 niet zelf heeft gedaan. Een enkele ontkenning is onvoldoende, zoals eerder opgemerkt bij "Toeslagjaar 2008".

Verder ziet de Commissie geen vooringenomenheid in het handelen van B/T, nu de periode van buitenschoolse opvang is uitgesmeerd over 1 mei tot en met 31 december 2013. In deze periode is 198,2 uur kinderopvang bij [naam] afgenomen.

Belanghebbende heeft geen bezwaar aangetekend tegen de beschikking van 29 mei 2015, waarin de KOT werd verlaagd naar € 5.428. Ook in deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat er meer buitenschoolse opvang is afgenomen.

Gelet op het voorgaande treffen de bezwaargronden van belanghebbende geen doel.

Stopzettingen vanaf 1 juli 2015 en 16 februari 2016

Belanghebbende stelt de stopzettingen van de KOT niet aan B/T te hebben doorgegeven. UHT heeft echter duidelijk gemaakt dat belanghebbende dit wel heeft gedaan.

De Commissie oordeelt, zoals eerder onder "Toeslagjaar 2008" overwogen, dat een enkele ontkenning van de stopzettingen onvoldoende is. Belanghebbende moet haar stellingen met ondersteunende aanvullende informatie aannemelijk maken. Deze bezwaargronden treffen dan ook geen doel.

Hantering van de grens van € 1.500

Belanghebbende stelt dat het hanteren van de grens van € 1.500 of meer niet billijk is en in strijd komt met het doel van de wet.

De Commissie concludeert dat belanghebbende hiermee doelt op artikel 2.1, eerste lid onder b, in combinatie met het vierde lid van de Wht, waarbij een beroep op de hardheidsregeling kan worden gedaan. Voor toepassing van de hardheidsregeling moet belanghebbende geconfronteerd worden met een terugvordering van KOT van ten minste € 1.500 of een verlaging van de KOT met meer dan € 1.500.

De Commissie stelt vast dat het bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling (nog) niet mogelijk is om wetten in formele zin, zoals de Wht, die zijn goedgekeurd door de Eerste en Tweede Kamer, inhoudelijk te toetsen als de toepassing van de wet zeer onredelijk uitpakt. De Commissie benadrukt daarbij voorts dat in artikel 9.1 van de Wht een beroep op een hardheidsclausule kan worden gedaan. Dit beroep kan worden gedaan indien de toepassing van artikel 2.1, gelet op doel of strekking ervan, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De Commissie ziet in de omstandigheden van belanghebbende geen bijzonderheden die een beroep op de hardheidsclausule zouden kunnen rechtvaardigen. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Secretaris

Fungerend voorzitter