BAC 2025-15341
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 augustus 2022 (UHT-DH5 A en UHT-DC-I A)
Hoorzitting: 22 augustus 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 2 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, een O/GS-tegemoetkoming aan belanghebbende toe te kennen voor het toeslagjaar 2011 en een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 23 augustus 2022 met de kenmerken UHT-DH5 A en UHT-DC-I A.
Bij deze beschikkingen is aan belanghebbende met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2016.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 18 december 2019 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2011. In overleg met belanghebbende heeft de herbeoordeling zich uitgestrekt over de toeslagjaren 2006 tot en met 2016.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 januari 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir, zoals deze destijds van kracht waren, niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2016.
- Bij beschikking van 7 juli 2022 is aan belanghebbende een compensatie van €30.000,- toegekend voor het toeslagjaar 2012. Tegen deze beschikking heeft belanghebbende bezwaar ingediend. Bij beslissing op bezwaar van 15 april 2024 heeft UHT het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.
- Bij beschikkingen van 23 augustus 2022 met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A heeft UHT aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2016.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 29 september 2022 tegen de beschikkingen met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A bezwaar ingediend.
- UHT heeft op 15 januari 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 19 augustus 2025 heeft gemachtigde de bezwaargronden aangevuld.
- Op 22 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 3 september 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 15 september 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Onvolledig dossier, equality of arms
Belanghebbende voert aan dat het bezwaardossier onvolledig is en dat daarom geen sprake is van een eerlijk proces. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 15 januari 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Inhoudelijke bezwaren
Beoordeling afwijzing compensatie 2006 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2016
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2016 af te wijzen.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2016 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen van de KOT over voormelde toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen, als gevolg van het vervallen van de gemeentelijke bijdrage van KOT en door belanghebbende doorgegeven informatie, opnieuw berekend. Het volgen van door belanghebbende zelf verstrekte informatie levert geen vooringenomen handelen van B/T op. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te adviseren. De omstandigheid dat belanghebbende in het toeslagjaar 2006 een aantal maanden heeft moeten wachten op de eerste uitbetaling van KOT, duidt op zichzelf niet op een vooringenomen handelwijze door B/T, noch op hardheid van het stelsel. Voor een dergelijke conclusie zijn bijkomende omstandigheden nodig, die in dit geval niet zijn gesteld. Dat geldt evenzeer voor de omstandigheid dat de KOT over toeslagjaar 2008 een jaar na ontvangst van de door belanghebbende aangeleverde bewijsstukken definitief is vastgesteld. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verzoek om een persoonlijke betalingsregeling
Met betrekking tot het betoog van belanghebbende dat B/T ten onrechte geen tegemoetkoming wegens een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld (hierna: O/GS-tegemoetkoming) heeft toegekend over toeslagjaar 2011, overweegt de Commissie het volgende.
De Commissie meent dat belanghebbende met de verwijzing naar het informatie- en beoordelingsformulier (pagina 31 van het ouderdossier) en haar brief aan B/T van 10 april 2013 (pagina 607 van het ouderdossier) voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij B/T heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling toe te kennen. In de brief van 10 april 2013 heeft belanghebbende gewezen op het belang van een persoonlijke betalingsregeling vanwege haar financiële situatie. Uit de overzichten van het Landelijk Incassocentrum (LIC) volgt dat geen betalingsregeling tot stand is gekomen. Het verzoek tot toekenning van een betalingsregeling is daarmee feitelijk afgewezen. Blijkens de LIC-overzichten is de KOT in diverse toeslagjaren verrekend met overige toeslagen. De Commissie acht het dan ook voldoende aannemelijk dat belanghebbende in financiële problemen is geraakt als gevolg van de weigering van een betalingsregeling. Vaststaat dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie.
Desondanks adviseert de Commissie UHT om in dit geval, met toepassing van de hardheidsclausule in artikel 9.1 lid 1 Wht, een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht aan belanghebbende toe te kennen voor het toeslagjaar 2011. De Commissie overweegt daartoe dat de situatie waarin belanghebbende verkeerde, feitelijk gelijk is aan de situatie waarop artikel 2.6 Wht ziet. In beide gevallen is immers geen persoonlijke betalingsregeling toegekend door B/T, met grote gevolgen voor belanghebbende. Dat het O/GS-label ontbreekt, mag naar de opvatting van de Commissie, gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval, niet doorslaggevend zijn om een tegemoetkoming te weigeren. Concluderend is de Commissie van opvatting dat UHT aan belanghebbende alsnog een tegemoetkoming conform artikel 2.6 Wht voor het toeslagjaar 2011 dient toe te kennen. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren.
Hardheidscompensatie: beslagvrije voet
De Commissie volgt belanghebbende niet in het betoog dat zij in aanmerking behoort te komen voor compensatie wegens hardheid bij de toepassing van het stelsel, omdat B/T geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet bij de terugvordering van de KOT. De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure. De Commissie adviseert UHT dit bezwaar ongegrond te verklaren.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Aangezien de bestreden beschikkingen niet in stand kunnen blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming deels onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikkingen, adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT als volgt:
- het bezwaar tegen de beschikkingen van 23 augustus 2022 met de kenmerken UHT-DH5 A en UHT-DC-I A gedeeltelijk gegrond te verklaren; en
- met toepassing van de hardheidsclausule in artikel 9.1 lid 1 Wht, een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht aan belanghebbende toe te kennen voor het toeslagjaar 2011;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
Secretaris
Fungerend voorzitter