BAC 2025-15339
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 december 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 20 augustus 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 10 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 21 december 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 en 2009 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 31 augustus 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar heeft de beoordeling plaatsgevonden over de jaren 2005 en 2009 tot en met 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 21 december 2023 (hierna: de bestreden beschikking) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2005 en 2009 tot en met 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 12 januari 2024, ingekomen op 16 januari 2024, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 19 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 20 augustus 2025 voorafgaand aan de hoorzitting een tweetal producties overgelegd die aan het bezwaardossier zijn toegevoegd.
- Op 20 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 26 augustus 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend met daarbij enkele producties. Gemachtigde heeft daar in een e-mailbericht van 18 september 2025 op gereageerd en laten weten dat hij geen inhoudelijke opmerkingen heeft. Gemachtigde heeft in die e-mail tegelijkertijd verzocht aan UHT om het ontbrekende LIC-overzicht over het jaar 2006 te overleggen. UHT heeft op 22 september 2025 het desbetreffende overzicht overgelegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Motivering bestreden besluit / persoonlijk dossier/ equality of arms
Belanghebbende voert aan dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd.
Belanghebbende voert verder aan dat UHT in strijd met het beginsel van “equality of arms” handelt. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad omdat zij niet beschikt over het volledige, persoonlijk dossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten. In het ouderdossier waarover belanghebbende beschikt ontbreekt belangrijke informatie.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van belanghebbende dat de motivering van de bestreden beschikking onvolledig moet worden geacht. De Commissie constateert dat UHT in bezwaar een schriftelijke beschouwing heeft ingediend, waarin UHT een aanvullende uitgebreide uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelingsformulier, overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: “LIC”) en overige producties. Verder heeft UHT na de hoorzitting desgevraagd de ontbrekende LIC-overzichten over de jaren 2005 en 2006 overgelegd en waaruit blijkt dat over die beide jaren geen KOT is uitbetaald.
Naar het oordeel van de Commissie is bestreden beschikking hierdoor thans in ieder geval voldoende gemotiveerd onderbouwd.
De Commissie overweegt voorts dat de schriftelijke beschouwing en het bezwaardossier op 15 april 2025 aan gemachtigde zijn gezonden. Gemachtigde en belanghebbende hebben hierdoor kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking en zij hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren.
Uit de stellingname van belanghebbende volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog stukken zouden ontbreken die van belang zijn voor het door UHT genomen besluit. Van enige schending van het bepaalde bij artikel 7:4, lid twee, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dan ook niet gebleken. De door belanghebbende in dit verband ontwikkelde bezwaren kunnen dus niet tot het door haar gewenste doel leiden.
Afwijzing compensatie
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005 en 2009 tot en met 2012 af te wijzen.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.
In het informatie- en beoordelingsformulier (productie 0200001 bezwaardossier) is voor de toeslagjaren 2005 en 2009 tot en met 2012 uitgebreid beschreven en toegelicht welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden. Voor toeslagjaar 2005 is geen KOT aangevraagd en zijn geen beschikkingen afgegeven. Er is evenmin KOT uitbetaald. Dat wordt bevestigd met het LIC-overzicht over 2005 dat na de hoorzitting door UHT is overgelegd.
Voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 blijkt uit de voorhanden zijnde stukken dat de KOT op nihil is gesteld wegens non-response van belanghebbende (2009 en 2010) dan wel het ontbreken van een zogeheten registratie in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) van de kinderopvanginstelling (2011). UHT erkent dat dit vooringenomen is geweest omdat geen uitvraag bij belanghebbende is gedaan.
Evenwel, er is in de jaren 2009 tot en met 2011 geen opvang afgenomen. Belanghebbende verklaart in het ouderverhaal dat haar dochter in die jaren niet naar de opvang ging. Belanghebbende was bovendien geen doelgroeper, zij ontving in die jaren een uitkering. Zij voldeed niet aan de voorwaarden voor toekenning van KOT zodat evident geen recht op KOT bestond, aldus UHT.
Ter zitting heeft gemachtigde namens belanghebbende aangevoerd ten aanzien van deze jaren dat het rekeningnummer waarop de KOT is uitbetaald niet door belanghebbende wordt herkend. Tot aan april 2011 was het mogelijk om met een willekeurig Digid de KOT aan te vragen, aldus gemachtigde. Verder wijst gemachtigde erop dat kinderopvanginstelling [naam] de instelling was die in die jaren hierbij betrokken was. Bij [kinderopvanginstelling] is veel misgegaan. Gemachtigde vermoedt dat een medewerker van [kinderopvanginstelling] de betreffende KOT-aanvragen op naam van belanghebbende heeft gedaan.
Belanghebbende heeft de betreffende KOT-aanvragen niet gedaan, aldus gemachtigde.
Uit de nadere schriftelijke beschouwing blijkt dat de KOT over de jaren 2009 tot en met 2011 is uitbetaald op het rekeningnummer van het oudste kind van belanghebbende, dat destijds minderjarig was en daarmee viel onder het ouderlijk gezag van belanghebbende. Daarmee is de KOT naar het oordeel van de Commissie aan belanghebbende ten goede gekomen. Bijzondere omstandigheden die maken dat sprake is van hardheid van het stelsel zijn naar het oordeel van de Commissie niet aanwezig.
Ten slotte is voor toeslagjaar 2012 ook geen KOT aangevraagd en zijn geen beschikkingen afgegeven.
Geplaatst tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden overweegt de Commissie dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2005 en 2009 tot en met 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel.
Beslagvrije voet
Belanghebbende voert aan dat B/T bij de verrekeningen onterecht geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. Daarom is in haar ogen sprake van hardheid van het stelsel. De Commissie overweegt hierover dat de beslagvrije voet niet van toepassing is op KOT. Deze toeslag is immers niet bedoeld als inkomensvoorziening, maar voor het bevorderen van de arbeidsparticipatie. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie adviseert het bezwaar ongegrond te verklaren, is er geen aanleiding om het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter