BAC 2025-15334
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 2 oktober 2023 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 27 mei 2025
Overdracht advies aan UHT: 22 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) genomen beschikking van 2 oktober 2023, waarin UHT compensatie voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 en 2015 afwijst.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 maart 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van de toeslagjaren 2009 tot en met 2011. De persoonlijk zaakbehandelaar heeft de herbeoordeling uitgebreid met toeslagjaar 2015.
- Op 14 juli 2022 heeft UHT besloten op grond van de eerste lichte toets geen €30.000 aan belanghebbende toe te kennen.
- Op 5 september 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) als advies uitgebracht dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 en 2015.
- Op 14 september 2023 heeft UHT als vooraankondiging aangegeven dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 en 2015.
- Op 2 oktober 2023 heeft UHT in een definitieve beschikking compensatie voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 en 2015 afgewezen.
- Op 2 november 2023 heeft gemachtigde hiertegen een bezwaarschrift ingediend.
- Op 27 november 2024 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 27 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Naar aanleiding van hetgeen besproken is tijdens de hoorzitting, heeft UHT een aanvullende beschouwing toegestuurd. De aanvullende beschouwing is op 18 juni 2025 ontvangen en gemachtigde heeft hier op 17 juli 2025 op gereageerd.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).
In de schriftelijke beschouwing, het bestreden besluit en het informatie- en beoordelingsformulier is voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 en 2015 uitgebreid beschreven en toegelicht welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden. Voor toeslagjaar 2009 is de KOT neerwaarts bijgesteld als gevolg van minder afgenomen opvanguren en een hoger toetsingsinkomen. Voor toeslagjaar 2010 is de KOT neerwaarts bijgesteld vanwege een hoger toetsingsinkomen. Voor toeslagjaar 2011 is de KOT uiteindelijk opwaarts bijgesteld vanwege een lager toetsingsinkomen.
Voor toeslagjaar 2015 heeft belanghebbende op 14 januari 2015 de KOT per 1 maart 2015 stopgezet waardoor deze neerwaarts werd bijgesteld. Als gevolg van een lager toetsingsinkomen is de KOT voor 2015 uiteindelijk definitief opwaarts vastgesteld.
Geplaatst tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden overweegt de Commissie dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de betreffende toeslagjaren geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. Het betreffen alle reguliere correcties die zijn gebaseerd op door belanghebbende doorgegeven wijzigingen. De beschreven wijzigingen worden ondersteund door de stukken in het bezwaardossier.
De Commissie overweegt verder dat het inherent is aan het systeem van toeslagen dat, zolang het recht op toeslag nog niet definitief is vastgesteld, B/T door tussentijdse wijzingen in het inkomen of het aantal opvanguren die een ouder doorgeeft op basis van zijn informatieplicht, het voorschot KOT kan aanpassen. Deze systematiek maakt niet dat de terugvordering van het teveel uitbetaalde voorschot ten onrechte heeft plaatsgevonden.
Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het advies van de CvW en het standpunt van UHT met betrekking tot de afgewezen toeslagjaren onjuist te achten. De Commissie is verder van oordeel dat met het indienen van het schriftelijke verweer en de overige producties, het bestreden besluit ten aanzien van de afgewezen toeslagjaren voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie acht het bezwaar ongegrond.
‘Equality of arms’
Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in haar stelling dat het beginsel van ‘equality of arms’ geschonden zou zijn.
Beslagvrije voet
Belanghebbende heeft bij gebrek aan wetenschap gesteld dat B/T in het verleden geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet en neemt daarom het standpunt in dat sprake is van hardheid van het stelsel. De Commissie begrijpt de stellingname van belanghebbende aldus dat bij een eventuele verrekening geen rekening met de beslagvrije voet is gehouden. De Commissie overweegt dat het verrekenen van terechte terugvorderingen geen compensatie op grond van hardheid oplevert.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14). Aan de bezwaargrond dat de B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, komt de Commissie gelet op wat hiervoor is overwogen niet meer toe. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
O/GS-tegemoetkoming
Gemachtigde wenst uitleg van UHT over hoe het kan dat in de ene productie (pag. 307) staat dat wel sprake is van O/GS, terwijl in de andere productie staat (pag. 297) staat dat geen sprake is van O/GS.
UHT heeft in een aanvullende beschouwing aangegeven dat belanghebbende geen recht heeft op de O/GS-tegemoetkoming. Op 2 november 2017 heeft B/T het verzoek om een betalingsregeling van belanghebbende ontvangen. Met betrekking tot de terugvordering van KOT voor toeslagjaar 2015 is een betalingsregeling toegekend. Met betrekking tot de terugvordering van de inkomstenbelasting 2015 is een betalingsregeling afgewezen.
Verder stelt UHT dat in de systemen verder geen O/GS-kwalificatie is teruggevonden.
De Commissie overweegt als volgt. Volgens artikel 2.6 Wht wordt een O/GS-tegemoetkoming toegekend als geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend, vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van KOT. Uit de aanvullende beschouwing en de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum blijkt dat aan belanghebbende wel een persoonlijke betalingsregeling is toegekend voor de terugvordering van KOT voor toeslagjaar 2015. Daarom komt belanghebbende niet in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming.
Niet beoordeelde jaren 2012 tot en met 2014
Gemachtigde stelt dat de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 ten onrechte niet zijn meegenomen in de herbeoordeling.
De Commissie stelt vast dat het verzoek van belanghebbende om herbeoordeling alleen zag op de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011. De persoonlijk zaakbehandelaar heeft het verzoek vervolgens uitgebreid met toeslagjaar 2015. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT heeft nagelaten om de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 in de herbeoordeling te betrekken. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.
Voorts heeft UHT aangegeven dat naar aanleiding van het bezwaarschrift het verzoek om herbeoordeling van de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 is doorgezet en hiervoor een aparte primaire beschikking wordt afgegeven. Indien de herbeoordeling van deze toeslagjaren niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan, indien gewenst, tegen die beschikking een bezwaarschrift worden ingediend.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar ongegrond acht, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Secretaris
Fungerend voorzitter