BAC 2025-15332
Publicatiedatum 09-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 25 september 2023 met kenmerk UHT-DCHA
Overdracht advies aan UHT: 18 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 25 september 2023 met kenmerk UHT-DCHA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2013 en 2017.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 16 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2014, 2016 en 2017. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is de beoordeling gewijzigd naar de jaren 2011 tot en met 2013 en 2017.
- Met de beschikking van 12 april 2022 is belanghebbende op de hoogte gebracht dat zij niet in aanmerking komt voor de betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- UHT heeft bij beschikking van 1 september 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat uit de voorlopige beoordeling is gebleken dat vooralsnog over de jaren 2011 tot en met 2013 en 2017 geen recht is op compensatie op grond van de drie herstelregelingen.
- UHT heeft met de bestreden beschikking van 25 september 2023 met kenmerk UHT-DCHA (hierna: de bestreden beschikking) aan belanghebbende medegedeeld dat over de jaren 2011 tot en met 2013 en 2017 geen recht is op compensatie.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 november 2023 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 26 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Bij brief van 7 oktober 2025 heeft gemachtigde het bezwaarschrift aangevuld.
- Bij brief van 24 november 2025 heeft gemachtigde meer aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 25 november 2025 zou een hoorzitting plaatsvinden. Gemachtigde had op 24 oktober 2025 aangegeven dat zij afziet van het bijwonen van de hoorzitting. De Commissie heeft daarom besloten de zaak op de stukken af te doen.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over alle benodigde informatie om het bestreden besluit te kunnen controleren. Zij heeft namelijk niet de beschikking over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier.
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier en/of het volledige bezwaardossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier of aanvullende stukken moeten worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. Dat er geen gebruik is gemaakt van het bekende informatie- en beoordelingsformulier maar van een ander overzicht, maakt het voorgaande niet anders.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de aan belanghebbende toekomende KOT, maar dat B/T dit niet heeft gedaan.
De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken, tezamen met de beslissing op bezwaar.
O/GS
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar een aanvullende productie, toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie.
De Commissie acht het bezwaar op dit punt daarom ongegrond.
Discriminatie
De Commissie overweegt dat belanghebbende geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd die onderbouwen dat zij zou zijn gediscrimineerd bij de uitvoering van de KOT door B/T.
Geen mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze
Gemachtigde heeft gesteld dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze in te dienen en dat op die wijze haar een rechtsmiddel is ontnomen.
De Commissie overweegt dat het voorgenomen besluit aan belanghebbende is meegedeeld op 1 september 2023. Belanghebbende is toen in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren tot 18 september 2023. Belanghebbende is derhalve naar het oordeel van de Commissie wel de mogelijkheid gebonden om haar zienswijze kenbaar te maken.
Informatie uit de KOI-viewer
Gemachtigde voert aan dat B/T voor de vaststelling van KOT niet blindelings mocht vertrouwen op de informatie uit de KOI-viewer.
De Commissie stelt op basis van de onderliggende stukken vast dat de vaststelling van de KOT over de jaren 2011 tot en met 2013 niet is gebaseerd op informatie uit de KOI-viewer. Met betrekking tot 2017 is de KOT op grond van de KOI-viewer wel opwaarts bijgesteld. Deze bezwaargrond treft, zonder nadere onderbouwing, geen doel.
Bezwaarprocedure
Gemachtigde voert aan dat B/T niet steeds een beslissing op bezwaar nam nadat belanghebbende een bezwaarschrift had ingediend. Belanghebbende kon hiertegen dan geen rechtsmiddelen aanwenden. Deze wijze van afdoening wordt als vooringenomen aangemerkt.
De Commissie leidt uit de onderliggende stukken af dat in de herbeoordeelde jaren geen brieven of bezwaarschriften van belanghebbende zijn aangetroffen waaruit blijkt dat bezwaar is gemaakt tegen een beschikking van B/T.
Gemachtigde heeft haar algemene stelling niet verder geconcretiseerd, zodat deze bezwaargrond, gelet op het voorgaande, geen doel treft.
Registratie van de kinderopvang
Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende wordt tegengeworpen dat gebruik is gemaakt van een kinderopvanginstelling die niet een geldige LRK-registratie bezit. De bezwaargrond treft geen doel.
Herbeoordeelde toeslagjaren
De KOT voor 2011, 2012, 2013 en 2017 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van een gewijzigd toetsingsinkomen, stopzettingen van de KOT door (of namens) belanghebbende, minder afgenomen opvanguren en gegevens uit de KOI-viewer.
De Commissie heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de producties waaruit dit blijkt. Daaruit valt te concluderen dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Het handelen van B/T kan daarom niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.
Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan komen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.
De Commissie begrijpt dat het terugbetalen van de KOT voor belanghebbende niet gemakkelijk zal zijn geweest, maar haar situatie houdt uiteindelijk geen verband met de problematiek waarvoor de hersteloperatie in het leven is geroepen.
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat het bezwaar ongegrond is, komt zij niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- het bezwaar ongegrond te verklaren;
- het bestreden besluit niet te herroepen;
- het verzoek om een proceskostenvergoeding te betalen, af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter