BAC 2025-15326
Publicatiedatum 26-03-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 13 december 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 10 oktober 2025
Overdracht advies aan UHT: 25 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar tegen de beschikking van 13 december 2023 met kenmerk UHTDCH
gedeeltelijk gegrond te verklaren en te herroepen. De Commissie adviseert
tevens een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 13 december 2023 met kenmerk UHT-DCH.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 40.306 voor het toeslagjaar 2006 en de maanden januari tot en met mei van het toeslagjaar 2007 op grond van hardheid. Voor de maanden juni tot en met december van het toeslagjaar 2007 en voor het toeslagjaar 2008 bestaat geen recht op compensatie.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 5 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). De herbeoordeling ziet op de toeslagjaren 2006 tot en met 2008.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 oktober 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op het toeslagjaar 2008.
- UHT heeft bij beschikking van 13 december 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 40.306 voor het toeslagjaar 2006 en de maanden januari tot en met mei van het toeslagjaar 2007 op grond van hardheid. Voor de maanden juni tot en met december van het toeslagjaar 2007 en voor het toeslagjaar 2008 bestaat volgens UHT geen recht op compensatie.
- Gemachtigde heeft bij brief van 18 december 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 13 december 2024 schriftelijk gereageerd.
- Op 10 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 14 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 6 november 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Onderliggende stukken en persoonlijk dossier
Belanghebbende heeft verzocht om de onderliggende stukken en om inzage in haar persoonlijk dossier.
De Commissie overweegt als volgt. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 7 april 2025 aan gemachtigde toegezonden.
De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling toeslagjaren 2006 tot en met 2008
De Commissie ziet zich, mede gelet op de nadere precisering van het bezwaar – inhoudende dat de vaststelling van de hoogte van de toegekende compensatie op grond van hardheid voor de toeslagjaren 2006 en 2007 niet langer in geschil is – gesteld voor de beantwoording van de vraag of de UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie op grond van vooringenomenheid voor de toeslagjaren 2006 en 2008, en op grond van hardheid voor het toeslagjaar 2008, af te wijzen en zal ingaan op de gronden van bezwaar.
Beoordeling afwijzing compensatie op grond van vooringenomenheid toeslagjaar 2006
Belanghebbende voert aan dat zij, in plaats van de reeds toegekende compensatie op grond van hardheid, in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid. Zij stelt dat de wijze waarop haar aanvraag voor KOT is behandeld, duidt op een vooringenomen handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Zij wijst daarbij met name op de te lange tijdsduur tussen de aanvraag van de KOT en de beschikking tot toekenning van de KOT.
UHT heeft daartegen ingebracht dat belanghebbende naar aanleiding van haar KOT-aanvraag tweemaal in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aan te tonen. Volgens UHT volgt uit de behandeling van de KOT-aanvraag dan ook niet van een vooringenomen handelswijze van B/T.
De Commissie stelt op grond van de stukken vast dat B/T, naar aanleiding van de KOT-aanvraag van belanghebbende, tweemaal een uitvraagbrief heeft verzonden (één op 19 juli 2006 en één op 29 augustus 2006) om de aanvraag te kunnen beoordelen. Omdat op deze brieven geen reactie werd ontvangen, heeft de behandeling van de KOT-aanvraag enige vertraging opgelopen. Vervolgens is, na contact tussen de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) [naam] en B/T, door de KOI op 12 oktober 2006 per fax een aantal stukken aan B/T toegezonden, waaronder opvangcontracten en facturen over de maanden september, oktober en november 2006. Vervolgens heeft B/T op 30 oktober 2006 de KOT-aanvraag beschikt.
Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat B/T bij de behandeling van de KOT-aanvraag voor het toeslagjaar 2006 institutioneel vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld.
Beoordeling afwijzing compensatie op grond van vooringenomenheid en hardheid
toeslagjaar 2008
Belanghebbende voert aan dat zij aanspraak maakt op compensatie wegens een vooringenomen handelswijze van B/T bij de behandeling van haar KOT over het toeslagjaar 2008. Zij stelt dat zij reeds in haar bezwaarschrift van 7 juni 2010 had vermeld dat haar kinderen opvang genoten bij zowel KOI [naam] als KOI [naam], terwijl B/T op 26 juli 2010 enkel contact heeft gezocht met KOI [naam] om te verifiëren of haar kinderen daar opvang hadden genoten. Subsidiair verzoekt belanghebbende om compensatie op grond van hardheid, omdat haar KOT met meer dan € 1.500 is verlaagd, terwijl de KOT rechtstreeks aan de KOI was uitbetaald en vervolgens bij haar is teruggevorderd.
UHT stelt daarentegen dat B/T belanghebbende tweemaal heeft verzocht de jaaropgaven over het toeslagjaar 2008 toe te zenden. Daarnaast heeft B/T, naar aanleiding van het te laat ingediende bezwaarschrift, belanghebbende verzocht om een toelichting op die termijnoverschrijding. Op geen van deze uitvragen heeft belanghebbende gereageerd. Volgens UHT is daarom geen sprake van een vooringenomen behandeling van de KOT door B/T. Voorts maakt belanghebbende volgens UHT geen aanspraak op compensatie op grond van hardheid, omdat de aan de KOI uitbetaalde KOT volledig door de KOI aan belanghebbende is teruggestort.
De Commissie stelt op grond van de stukken vast dat de KOT door of namens belanghebbende op 15 april 2008 met ingang van 1 januari 2008 is stopgezet, waarna B/T de KOT bij beschikking van 26 april 2008 op € 0 heeft vastgesteld.
Op 7 juni 2010 heeft belanghebbende tegen deze vaststelling bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft B/T op 26 juli 2010 contact opgenomen met KOI [naam], die heeft verklaard dat de laatste opvangdag op 15 mei 2007 was. De Commissie acht, op grond van in het dossier aanwezige concept-brieven, aannemelijk dat daarna B/T bij vraagbrieven van 27 oktober 2010 en 17 november 2010 aan belanghebbende heeft verzocht de jaaropgaven over het toeslagjaar 2008 aan te leveren. Op deze verzoeken is geen reactie ontvangen. Evenmin heeft belanghebbende gereageerd op de brief van 16 december 2010, waarin zij werd verzocht een toelichting te geven op de termijnoverschrijding van het door belanghebbende ingediende bezwaar.
Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat B/T bij de behandeling van de KOT voor het toeslagjaar 2008 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. Belanghebbende is immers voldoende in de gelegenheid gesteld om haar recht op KOT voor dat jaar aannemelijk te maken, maar heeft nagelaten jaaropgaven te overleggen.
Een dergelijke behandeling van de KOT geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Voorts overweegt de Commissie dat geen sprake is van de toepasselijkheid van de beleidsmatige zogenoemde KOT naar KOI-regeling. Voor toepassing van deze regeling is vereist dat minimaal
€ 1.500 aan KOT te veel (ten opzichte van de opvangkosten) naar de kinderopvanginstelling is overgemaakt, zonder dat dit bedrag ten gunste van de ouder is gekomen. Uit de belnotitie van 26 juli 2010 volgt echter dat KOI Prokino het volledige bedrag aan KOT aan belanghebbende heeft teruggestort. Daarmee is de KOT uiteindelijk ten gunste van belanghebbende gekomen, zodat niet aan de voorwaarden voor toepassing van de KOT naar KOI-regeling is voldaan.
Van bijzondere omstandigheden waarom hier in het geval van belanghebbende niet aan zou mogen worden vastgehouden is niet gebleken. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Forfaitaire compensatieberekening toeslagjaren 2006 en 2007
In de schriftelijke beschouwing op het bezwaar constateert UHT dat de berekening van de compensatie op grond van hardheid op een aantal punten moet worden aangepast. UHT heeft daartoe een aangepaste compensatieberekening opgesteld, waarin de voorgenomen correcties zijn opgesomd. UHT acht het bezwaar op dit onderdeel dan ook gegrond. De Commissie zal dienovereenkomstig adviseren.
Belanghebbende heeft voorts, bij gebrek aan wetenschap, de gehanteerde startdatum van 8 september 2008 voor de vergoeding van immateriële schade betwist. Volgens haar zou mogelijk ook over het toeslagjaar 2005 sprake zijn geweest van een aanvraag voor KOT, hetgeen gevolgen zou kunnen hebben voor de startdatum van de vergoeding voor immateriële schade.
De Commissie heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden voor vooringenomen handelen voorafgaand aan deze datum. Evenmin zijn er aanwijzingen dat belanghebbende in het toeslagjaar 2005 aanvrager van KOT was. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.
Zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel
Omdat de berekening van de toegekende compensatie moet worden aangepast, moet worden geconstateerd dat die berekening deels onvoldoende zorgvuldig is geweest.
Discriminatie
De Commissie overweegt dat voor toekenning van compensatie wegens discriminatie, vooringenomenheid of onbillijke hardheid concreet moet worden aangetoond dat het bestuursorgaan onzorgvuldig heeft gehandeld of in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is opgetreden. Daarbij dient aannemelijk te worden gemaakt dat dit handelen daadwerkelijk tot schade heeft geleid.
Het enkele bestaan van een risicoprofiel, een intern signaal of een intensievere controle vormt op zichzelf geen toereikende grond voor compensatie. Er moet sprake zijn van een rechtstreeks verband tussen het handelen van het bestuursorgaan en een voor belanghebbende nadelige beslissing of situatie.
In dit geval is niet gesteld of onderbouwd dat daadwerkelijk sprake is geweest van discriminatie. De Commissie merkt op dat, indien iemand zich op dergelijke gronden beroept, mag worden verwacht dat dit standpunt met concrete feiten of stukken wordt gestaafd. Nu dit ontbreekt, is er geen aanleiding om aan te nemen dat van discriminatie sprake is geweest, en slaagt deze bezwaargrond niet.
Fraude Signalering Voorziening (FSV) en kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS)
Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat de onderbouwing in de stukken voor zowel de vaststelling van de O/GS-kwalificatie als de vraag of sprake is geweest van opname in de FSV onvoldoende is.
De Commissie acht het ontoereikend dat UHT volstaat met een verwijzing naar pagina 279 van de onderliggende stukken, waarin enkel wordt vermeld dat er geen sprake is van een O/GS-kwalificatie. Een toelichting op de wijze waarop tot deze conclusie is gekomen ontbreekt, zodat een nadere uitleg wenselijk en noodzakelijk is. Indien hierover intern aanvullende informatie beschikbaar is, acht de Commissie het begrijpelijk dat belanghebbende inzicht wenst in die gegevens.
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om in de beslissing op bezwaar een duidelijke en begrijpelijke toelichting op te nemen over de wijze waarop de O/GS-kwalificatie is vastgesteld.
Ten aanzien van de FSV-onderbouwing merkt de Commissie op dat uit het FSV-vaststellingsformulier volgt dat belanghebbende niet op deze lijst heeft gestaan. De Commissie heeft geen aanwijzingen om aan de juistheid daarvan te twijfelen.
Forfaitaire bedragen (im)materiële schade
Belanghebbende is het niet eens met de hoogte van de toegekende vergoeding voor (im)materiële schade. Zij stelt dat de door haar geleden schade aanzienlijk groter is dan het toegekende bedrag.
De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen. De Commissie heeft in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om te komen tot het oordeel dat toepassing van het in de Wht neergelegde compensatiestelsel in een geval als het onderhavige buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de daadwerkelijke (im)materiële schade via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) en dat in alle fases van toekenning in rechtsbescherming wordt voorzien. Indien belanghebbende meent dat zij meer schade heeft geleden dan wordt vergoed met de forfaitaire vergoedingen, kan zij daartoe een verzoek indienen bij de CWS, waarna UHT na advies van de CWS daarop zal beslissen.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar de opvatting van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking met kernmerk UHT-DCH adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie aan UHT, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, om:
- het bezwaar tegen de beschikking van 13 december 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren; en om:
- alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter