Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15320

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen/ Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: UHT-DCHOA (12 juni 2024)

Hoorzitting: 22 mei 2025

Overdracht advies aan UHT: 22 oktober 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHOA in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 12 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHOA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend over de toeslagjaren 2005 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2006 tot en met 2010. In overleg met belanghebbende is dit verzoek gewijzigd naar de toeslagjaren 2005 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij beschikking van 14 juni 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 mei 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 28 maart 2024, met kenmerk UHT-VCH A, aan belanghebbende medegedeeld dat hij voorlopig geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2005 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 12 juni 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2005 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 23 juni 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft op 8 oktober 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 28 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft de Commissie op 15 mei 2025 geïnformeerd dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord.
  • Op 22 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 3 juni 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Toeslagjaar 2011
Belanghebbende stelt dat uit het dossier blijkt dat hij in toeslagjaar 2011 opvang heeft genoten en KOT heeft aangevraagd. Volgens belanghebbende is zijn aanvraag destijds door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) afgewezen vanwege onvolledigheid van de aanvraag. Belanghebbende stelt dat de afwijzing onterecht was, omdat hij wel degelijk de benodigde informatie heeft aangeleverd. Volgens belanghebbende bestaat daarom recht op compensatie wegens vooringenomenheid.

UHT heeft toegelicht dat belanghebbende op 30 januari 2012 KOT heeft aangevraagd over toeslagjaar 2011. Op 9 mei 2012 heeft belanghebbende een retourformulier met stornobrieven over toeslagjaar 2011 aangeleverd. B/T heeft belanghebbende op 26 juli 2012 verzocht om een jaaropgave over toeslagjaar 2011. Op 18 september 2012 heeft B/T een herinnering gestuurd voor de opvanggegevens over toeslagjaar 2011.

Belanghebbende heeft hier volgens UHT niet op gereageerd. B/T heeft belanghebbende op 22 november 2012 geïnformeerd dat zij de aanvraag KOT over toeslagjaar 2011 van belanghebbende niet in behandeling zal nemen vanwege de ontbrekende jaaropgave.

Volgens UHT is belanghebbende voldoende in de gelegenheid gesteld om de benodigde informatie aan te leveren en is over toeslagjaar 2011 geen sprake van vooringenomenheid of hardheid.

Naar het oordeel van de Commissie is belanghebbende voldoende in de gelegenheid gesteld om de verzochte informatie over toeslagjaar 2011 aan te leveren. B/T heeft gevraagd om bewijs van belanghebbende dat hij de kinderopvangkosten in 2011 heeft voldaan. De stornobrieven van de kinderopvanginstelling, die zijn gericht aan zijn ex-vrouw (productie 3, bezwaarschrift), waren onvoldoende om dit aan te nemen.

B/T heeft vervolgens twee herinneringsbrieven aan belanghebbende verzonden. Nu belanghebbende de verzochte informatie niet heeft aangeleverd, mocht B/T de aanvraag KOT over toeslagjaar 2011 afwijzen. Belanghebbende heeft immers ten tijde van de uitvraag in 2012, en ook niet in deze bezwaarschriftprocedure, aannemelijk gemaakt dat hij de facturen van de kinderopvanginstelling heeft voldaan. De Commissie ziet geen aanwijzingen dat sprake is geweest van vooringenomenheid en belanghebbende heeft geen omstandigheden aannemelijk gemaakt die het toekennen van compensatie op grond van hardheid rechtvaardigen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2014 tot en met 2016
Belanghebbende stelt dat uit de bij het aanvullend bezwaarschrift gevoegde brieven volgt dat hij over toeslagjaren 2014 tot en met 2016 toeslagen heeft aangevraagd. Volgens belanghebbende staat vast dat hij wel KOT heeft genoten en heeft hij recht op compensatie grond van vooringenomenheid over deze toeslagjaren.

UHT stelt dat geen aanvragen KOT over de toeslagjaren 2014 tot en met 2016 bekend zijn bij UHT, waardoor geen recht op compensatie bestaat.

De Commissie oordeelt dat uit het Ouderdossier niet blijkt dat sprake is van aanvragen KOT over de toeslagjaren 2014 tot en met 2016. De brieven van belanghebbende over de toeslagen in de jaren 2014 tot en met 2016, vermelden niet specifiek welke toeslagen zijn ontvangen. De Commissie maakt uit het SAS-overzicht op dat belanghebbende wel zorgtoeslag heeft ontvangen over de toeslagjaren 2014 tot en met 2016, maar geen KOT. Zonder een aanvraag KOT bestaat geen recht op compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Opzet/grove schuld (O/GS)
Belanghebbende stelt dat UHT onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bij belanghebbende geen sprake is geweest van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). Volgens UHT is geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS en is geen persoonlijke of buitengerechtelijke betalingsregeling geweigerd.

Naar het oordeel van de Commissie blijkt uit het dossier niet dat sprake is geweest van een onterechte kwalificatie O/GS en blijkt ook niet dat een verzoek om een betalingsregeling is afgewezen. Zonder deze onterechte kwalificatie en afwijzing van een betalingsregeling bestaat geen recht op een tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 2.6 Wht. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DCHOA af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding van de proceskosten in de onderhavige procedure af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter