Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15317

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 12 april 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 3 november 2025 om 11:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 14 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 22.925 voor de jaren 2007, 2009 en 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2008, 2010 en 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 17 oktober 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 t/m 2014. De herbeoordeling is uiteindelijk gedaan over de jaren 2007 t/m 2012.
  • UHT heeft bij besluit van 22 februari 2024 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 maart 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2008, 2010 en 2012 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. De compensatieregeling is wél van toepassing op de jaren 2007, 2009 en 2011.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende over de jaren 2007, 2009 en 2011 een compensatie toegekend van € 22.925. Voor de jaren 2008, 2010 en 2012 is geen compensatie toegekend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 8 mei 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 30 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 3 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft per e-mail van 3 november 2025 een aanvullende productie opgestuurd en per e-mail van 28 november 2025 een aanvullende toelichting gegeven.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 2 december 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Hoewel daartoe tweemaal in de gelegenheid gesteld, heeft gemachtigde hier niet meer op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich voor de vraag gesteld of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen voor de jaren 2008, 2010 en 2012.

Persoonlijk dossier en motivering

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden gecontroleerd of het compensatiebedrag juist is. Dit is volgens belanghebbende in strijd met het motiveringsbeginsel. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de onderliggende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden op 16 april 2025. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

Voor zover sprake is van gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Equality of arms

Volgens belanghebbende zou geen sprake zijn van 'equality of arms' in de zin van artikel 6 EVRM, omdat belanghebbende niet over het volledige dossier beschikt en UHT wel.

Belanghebbende zou daarom in haar procesbelang zijn geschaad.

De Commissie merkt op dat zij een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie is in de zin van artikel 7:13 van de Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen zoals neergelegd in de Awb. Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Zoals hiervoor overwogen, zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken in de vorm van een bezwaardossier aan de gemachtigde verstrekt. De bezwaarprocedure is door de Commissie beoordeeld en er heeft op 3 november 2025 een hoorzitting plaatsgevonden in aanwezigheid van zowel belanghebbende als UHT. De Commissie is van oordeel dat in deze procedure sprake is geweest van een gelijkwaardige behandeling van partijen.

Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.

Automatische continuatie

Belanghebbende meent dat de wijze waarop B/T omging met de automatische continuering van de KOT onzorgvuldig was. Daarnaast stelt belanghebbende dat er extra waarborgen in het systeem moeten worden ingebouwd.

Een aanvrager van KOT hoeft in beginsel niet jaarlijks opnieuw een aanvraag in te dienen. De toekenning geldt voor onbepaalde tijd, zolang de omstandigheden ongewijzigd blijven en B/T de beschikking niet expliciet beëindigt. Dit volgt uit artikel 15 lid 5 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Het recht op KOT loopt automatisch door naar de daaropvolgende jaren, tenzij B/T de beschikking op grond van artikel 15 lid 6 Awir beëindigt. Het is daarbij van belang dat de aanvrager wijzigingen in relevante omstandigheden — zoals het inkomen, het aantal opvanguren of de gezinssamenstelling — tijdig doorgeeft. Dit voorkomt dat er te veel of te weinig KOT wordt toegekend.

De Commissie heeft begrip voor de wens van de gemachtigde om aanvullende waarborgen te introduceren rondom automatische verlenging. Hij doet daarvoor diverse suggesties. De Commissie constateert echter dat de wettelijke systematiek zoals neergelegd in artikel 15 lid 5 en lid 6 Awir, anders is. In voormelde bepalingen is een actieve informatieplicht opgenomen voor aanvragers van KOT. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor het tijdig en correct doorgeven van relevante wijzigingen in persoonlijke en financiële omstandigheden. Alleen bij naleving van deze verplichting kan B/T de KOT op juiste wijze vaststellen en beheren. Uitgaande van de wettelijke systematiek adviseert de Commissie UHT om het bezwaar ten aanzien van dit punt ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening

Belanghebbende voert aan dat de compensatieberekening incorrect is vastgesteld. Meer specifiek zijn de immateriële schade en de rentevergoeding voor gemiste KOT onjuist tot stand gekomen, aldus belanghebbende. De start- en einddatum van de periode waarover de vergoeding voor immateriële schade is berekend, zijn inderdaad onjuist vastgesteld. Het gebruik van de juiste start- en einddatum leidt echter niet tot een hogere vergoeding voor immateriële schade. Het bedrag wordt namelijk afgetopt tot het totaalbedrag genoemd onder onderdeel e. De Commissie constateert daarnaast dat de rentevergoeding over gemiste KOT voor de toeslagjaren 2007, 2009 en 2011 onjuist is berekend. Bij de berekening van deze vergoeding is van incorrecte gegevens uitgegaan. De Commissie adviseert echter UHT dit niet aan te passen, omdat dit in het nadeel van belanghebbende zou zijn.

In deze bezwaargrond ziet de Commissie dan ook geen aanleiding om UHT te adviseren het bestreden besluit te herroepen en de einddatum van de periode waarover de vergoeding voor immateriële schade wordt berekend, tot aan de datum van de beslissing op bezwaar te laten doorlopen. Om dezelfde reden ziet de Commissie geen aanleiding om UHT te adviseren om de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen.

Toeslagjaar 2007

Belanghebbende stelt dat alle drie de kinderen kinderopvang hebben genoten in toeslagjaar 2007 en wijst hierbij op een diagnose van [naam 1]. Door deze diagnose kon het niet anders dan dat alle drie de kinderen naar de opvang moesten. Het antwoordformulier uit het dossier ziet alleen op [naam 2]. Dit formulier is wegens omstandigheden onjuist ingevuld, aldus belanghebbende.

De Commissie is van oordeel dat B/T heeft mogen vertrouwen op de juistheid en volledigheid van het door belanghebbende ondertekende antwoordformulier van 11 februari 2009. Het formulier bevat de gegevens die benodigd zijn om het recht op KOT vast te stellen en is daarnaast ondertekend door belanghebbende. Dit laatste betwist belanghebbende ook niet. Daarnaast is bij het antwoordformulier een jaaropgave overlegd die uitsluitend betrekking heeft op [naam 2]. Dat B/T de KOT naar aanleiding van deze informatie heeft verlaagd, acht de Commissie daarom begrijpelijk.

Het dossier bevat daarnaast geen aanknopingspunten die erop wijzen dat [naam 2] en [naam 1] opvang zouden hebben genoten. De Commissie begrijpt van belanghebbende dat de situatie destijds erg moeilijk is geweest, en nog steeds is. Toch wordt met de diagnose van [naam 1] niet voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake was van opvang voor [naam 2] en [naam 1]. Hiervoor heeft de Commissie meer aanwijzingen nodig. Deze aanwijzingen heeft de Commissie niet kunnen vinden.

Hoewel de Commissie zal adviseren het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren, heeft zij kennisgenomen van hetgeen belanghebbende tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht. De Commissie onderkent dat belanghebbende een ingrijpende periode heeft doorgemaakt en wenst haar toe dat zij hierin verdere rust en stabiliteit zal vinden.

Toeslagjaren 2008, 2010 en 2012

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2008, 2010 en 2012 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De KOT over het toeslagjaar 2008 is tweemaal verlaagd op grond van wijzigingen die belanghebbende doorgaf. Over het toeslagjaar 2010 heeft geen verlaging van de KOT plaatsgevonden. Over toeslagjaar 2012 is de KOT eenmaal verlaagd, omdat belanghebbende een stopzetting doorgaf. De bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskosten

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter