Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15316

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 mei 2023 met kenmerk UHT-DCH

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking van 19 mei 2023 met kenmerk UHT-DCH.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 26.122 voor de toeslagjaren 2009 en 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 30 december 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2008. Het verzoek om herbeoordeling is gewijzigd naar de toeslagjaren 2009 en 2010.
  • Bij brief van 5 april 2023 met kenmerk UHT-VCH heeft UHT aan belanghebbende over de toeslagjaren 2009 en 2010 een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 26.028. Op grond van de Cathuisregeling is dit bedrag aangevuld tot € 30.000.
  • Bij beschikking van 19 mei 2023 met kenmerk UHT-DCH heeft UHT aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 26.122 wegens vooringenomenheid over de toeslagjaren 2009 en 2010.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 30 oktober 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. Op 7 oktober 2025 heeft gemachtigde de gronden aangevuld.
  • UHT heeft op 28 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Bij email van 12 november 2025 heeft gemachtigde laten weten dat belanghebbende afzag van een hoorzitting, de reeds geplande hoorzitting van 13 november 2025 heeft daarom geen doorgang gevonden.
  • De email van de gemachtigde van 12 november 2025 bevatte aanvullende gronden. UHT heeft daarop bij aanvullende beschouwing van 26 november 2025 gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Motivering van de beschikking
Belanghebbende stelt dat UHT onvoldoende helder en begrijpelijk aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt hoe de onderdelen van de compensatieberekening zijn opgebouwd.

Voor zover sprake is van gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 28 november 2024 naar gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten. De Commissie is van oordeel dat het niet hebben van het persoonlijk dossier belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Omissies/niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht en daarmee buiten het bereik van deze bezwaarprocedure. De commissie laat dit punt verder onbesproken.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Toeslagjaar 2008
Belanghebbende stelt dat het toeslagjaar 2008 ook beoordeeld dient te worden. De Commissie stelt vast dat de onderhavige bezwaarprocedure uitsluitend ziet op de beoordeling van de toeslagjaren 2009 en 2010. De Commissie geeft UHT in overweging de stukken met betrekking tot het toeslagjaar 2008 aan belanghebbende te sturen.

Nadat UHT een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen ten aanzien van de beoordeling van 2008 en eventuele andere toeslagjaren, kan belanghebbende desgewenst hiertegen een bezwaarschrift indienen, waarna de Commissie daarover een advies kan uitbrengen.

Stopzetting toeslagjaar 2010
Uit het dossier blijkt dat belanghebbende via een telefonische melding de KOT per 1 februari 2010 heeft stopgezet. Dit blijkt uit het XML-bestand welke in het dossier is toegevoegd. De Commissie is van mening dat UHT door middel van de schriftelijke reactie met verwijzing naar producties én een toelichting op de XML bestanden, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de wijzigingen door belanghebbende zijn doorgegeven.

Opzet/grove schuld (hierna: O/GS)
Belanghebbende heeft aangegeven dat zij het uitzoekwerk over de vaststelling van de O/GS nader toegelicht wil hebben met onderbouwende stukken. De Commissie acht het onvoldoende dat door UHT enkel wordt verwezen naar productie 19 in het dossier waarin slechts de vaststelling van O/GS te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld. Als er nadere informatie hieromtrent intern beschikbaar is, dan is het begrijpelijk dat belanghebbende daar behoefte aan heeft.

De Commissie adviseert dat UHT in het besluit op bezwaar alsnog een duidelijke en begrijpelijke toelichting geeft over de wijze waarop de O/GS vaststelling heeft plaatsgevonden met, voor zover van toepassing, een verwijzing naar de hieraan ten grondslag liggende stukken en dit in samenhang met hetgeen is verwoord aan het slot van het memo ‘Onderliggende stukken O/GS’ van Dienst Toeslagen Afdeling Vaktechniek van 18 september 2025.

FSV
Voor wat betreft het uitzoekwerk met betrekking tot de FSV-registratie acht de Commissie het voldoende dat door UHT enkel wordt verwezen naar productie 20 in het dossier, waarin slechts de vaststelling van het ontbreken van een FSV-registratie te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld.

Discriminatie
De commissie onderschrijft het standpunt van UHT. UTH heeft tijdens de integrale beoordeling bekeken of sprake is geweest van discriminatie. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.

De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T mag uitgaan van de informatie die is opgenomen in de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat deinformatie uit de KOI-viewer voor B/T indertijd kenbaar niet juist zou zijn geweest. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.

Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Forfaitaire bedrag materiële en immateriële schade
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 3 Wht is de vergoeding voor materiële schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of teruggevorderd.
Op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar.
Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade.

Rentevergoeding over gemiste KOT
UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat de toeslagrente over het toeslagjaar 2009 niet correct is berekend en dat belanghebbende ter zake een hoger bedrag toekomt. De Commissie neemt met instemming kennis van het standpunt van UHT om de toeslagrente over het toeslagjaar 2009 in het voordeel van belanghebbende te corrigeren. Nu het bedrag door UHT al in het voordeel van belanghebbende is berekend, zal er geen nabetaling volgen. De Commissie adviseert UHT, aansluitend bij haar eigen standpunt, het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.

Vergoeding voor immateriële schade
Nu de Commissie het bezwaar met betrekking tot de rentevergoeding over gemiste KOT gegrond acht, adviseert zij om de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar en daarbij alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies.

Aanvullende vergoeding van 1%
UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat de aanvullende vergoeding van 1% aangepast dient te worden. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar tegen de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie om het verzoek om de toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • het bezwaar dat gericht is tegen de bestreden beschikking van 19 mei 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren ten aanzien van de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT;
  • de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar;
  • de aanvullende vergoeding van 1% aan te passen;
  • het bestreden besluit op deze punten te herroepen;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen;
  • en het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter