Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15309

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 1 maart 2022 (UHT-DC-I A)

Hoorzitting: 24 juli 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 31 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de
bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHT-DC-I A in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag van 1 maart 2022.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen,
hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en
9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 27 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2011 en 2012.
    In overleg met belanghebbende is dit verzoek uitgebreid met het toeslagjaar 2013.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 december 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij beschikking van 1 maart 2022, met kenmerk UHT-DC I, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 24 januari 2024 bezwaar ingediend tegen deze beschikking.
  • UHT heeft op 10 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft op 23 juli 2025 aanvullende stukken ingediend.
  • Op 24 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. Dit advies richt zich alleen op de afwijzing van compensatie over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013.

Compleetheid dossier en motivering besluit
Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe de afwijzing van compensatie over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 tot stand is gekomen. Belanghebbende merkt daarbij op dat zij niet het volledig dossier heeft ontvangen en verzoekt specifiek om de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC), de tijdlijn, het informatie-en beoordelingsformulier en de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikking weliswaar niet voldoende heeft toegelicht, maar dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van de LIC-overzichten, SAS-overzichten en overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd. De Commissie merkt daarbij op dat de verzochte producties zijn opgenomen in het dossier, met uitzondering van de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT. Er is geen berekening van deze component, omdat geen compensatie is toegekend.
De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Verzuimboete
Belanghebbende stelt dat zij compensatie heeft ontvangen vanwege een verzuimboete. Dit wijst er volgens haar op dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) fouten heeft gemaakt. Het is belanghebbende onduidelijk op welk jaar de verzuimboete ziet.

UHT heeft toegelicht dat B/T op 31 juli 2013 een verzuimboete ter hoogte van
€ 1.500 aan belanghebbende heeft opgelegd. Deze verzuimboete ziet op de KOT over toeslagjaar 2011. Belanghebbende is voor deze verzuimboete gecompenseerd bij brief van 27 juni 2023 met kenmerk UHT-BTC IB. Volgens UHT is deze boete toegekend omdat de persoonlijk zaakbehandelaar aan belanghebbende had meegedeeld dat zij recht had op compensatie voor deze boete. Later bleek volgens UHT dat belanghebbende geen recht had op compensatie voor deze boete, maar vanwege het door de persoonlijk zaakbehandelaar gewekte vertrouwen dat de boete zou worden gecompenseerd is de compensatie alsnog uitgekeerd. Volgens UHT bestaat er geen verband tussen het recht op compensatie voor de KOT over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 en het compenseren van de verzuimboete.

De Commissie overweegt dat belanghebbende is gecompenseerd voor een bestuurlijke boete, die was opgelegd in verband met de teruggevorderde KOT over 2011. De reden voor deze compensatie was gelegen in het door de persoonlijk zaakbehandelaar gewekte vertrouwen als hierboven omschreven. De Commissie is van oordeel dat het compenseren van deze verzuimboete niet leidt tot een recht op compensatie voor de KOT over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013. Het feit dat een verzuimboete is gecompenseerd duidt niet op het recht op compensatie over deze toeslagjaren. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over zijn volledige dossier.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 9 april 2025 ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen, en daarvan gebruik gemaakt om haar standpunt uiteen te zetten. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Recht op compensatie
Belanghebbende stelt dat zij wel degelijk vooringenomen is behandeld en dat zij recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013.

UHT heeft toegelicht dat B/T in de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 onvoldoende uitvraag naar informatie heeft gedaan bij belanghebbende. Dit levert in de visie van UHT vooringenomenheid op. Volgens UHT heeft belanghebbende echter geen recht op compensatie over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013, omdat in al deze jaren sprake is van evident geen recht op KOT. B/T heeft op 31 januari 2013 bericht ontvangen van de kinderopvang dat het kind van belanghebbende nooit opvang heeft genoten.

Daarnaast zijn in de KOI-viewer in de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 geen gegevens te vinden die erop duiden dat opvang heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft belanghebbende in het ouderverhaal verteld dat zij geen opvang heeft genoten in de toeslagjaren 2011 tot en met 2013. Zij vermoedt dat haar ex-partner over deze jaren KOT heeft aangevraagd, omdat hij toegang tot haar bankpas en DigiD had.

Om een aanvraag KOT te kunnen doen, moet de aanvrager inloggen met zijn of haar persoonlijke DigiD-inloggegevens. Daarmee heeft B/T willen bewerkstelligen dat een rechthebbende alleen persoonlijk een aanvraag tot toekenning en betaling van KOT kan indienen. Een DigiD biedt immers een persoonsgebonden ingang naar een digitaal portaal. Belanghebbende heeft aangegeven dat zij haar inloggegevens in die tijd met haar ex-partner heeft gedeeld. De ex-partner heeft volgens belanghebbende de KOT aangevraagd in naam van belanghebbende zonder dat sprake was van opvang en de KOT voor zichzelf gehouden. Hoewel de Commissie niet uitsluit dat belanghebbende haar DigiD te goeder trouw heeft gedeeld, is zij toch van oordeel dat de gevolgen van het delen van DigiD-inloggegevens voor de toekenning en betaling van KOT voor rekening en risico van belanghebbende dienen te komen. Dit laat onverlet, dat het belanghebbende vrij staat de schade die zij door de handelwijze van haar ex-partner heeft geleden op hem te verhalen.

De Commissie komt tot de conclusie dat sprake is geweest van vooringenomenheid over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013. Uit het dossier volgt dat over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 geen kinderopvang is genoten door belanghebbende. Dit betekent dat sprake is van evident geen recht op KOT.
In het geval dat sprake is van evident geen recht op KOT oordeelt de Commissie dat belanghebbende geen recht op compensatie heeft. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DC-I A af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar, gericht tegen de beschikking van 1 maart 2022, met kenmerk UHT-DC-I A, ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter