BAC 2025-15307
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 december 2023 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 23 juni 2025 om 14:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 8 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking op onderdelen te herroepen, de compensatie opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor de toeslagjaren 2013 en 2014 en geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 5 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2013 en 2014.
Het herbeoordelingsverzoek is in overleg tussen belanghebbende en de persoonlijk zaakbehandelaar uitgebreid met het toeslagjaar 2012. - UHT heeft bij beschikking van 22 juni 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 31 oktober 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies vermeld dat UHT zich voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 terecht op het standpunt stelde, dat de regelingen betreffende de institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden niet van toepassing zijn.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHO 21 december 2023 aan belanghebbende een tegemoetkoming voor opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend voor een bedrag van € 3.327 voor de toeslagjaren 2013 en 2014 en geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 25 januari 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 15 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 26 mei 2025, het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 23 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan het advies is gehecht.
- Gemachtigde heeft op 23 juni 2025 en 14 juli 2025 aanvullende stukken ingediend.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft de bezwaren behandeld en dit advies uitgebracht.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 af te wijzen.
Herbeoordeling toeslagjaar 2011
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat UHT alsnog een herbeoordeling over het toeslagjaar 2011 moet uitvoeren, omdat ook over dit toeslagjaar sprake was van KOT. Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie KOT heeft aangevraagd, althans waarin de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.
De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de toeslagjaren 2013 en 2014. De persoonlijk zaakbehandelaar heeft het verzoek vervolgens na een gesprek met belanghebbende uitgebreid met het toeslagjaar 2012. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT heeft nagelaten het toeslagjaar 2011 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om dit toeslagjaar (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie heeft goede nota genomen van de gedane toezegging van UHT om alsnog een herbeoordeling uit te voeren over dit jaar. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie onderhavige bezwaarprocedure niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
Toeslagjaar 2012 en overige bezwaargronden
De gemachtigde heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat het bezwaar alleen nog de toeslagjaren 2013 en 2014 betreft en dat de bezwaren van belanghebbende met betrekking tot het toeslagjaar 2012 en de overige algemene bezwaargronden zijn ingetrokken. Deze onderdelen behoeven daarom geen verdere bespreking meer.
Toeslagjaar 2013
UHT heeft ter zitting toegezegd alsnog compensatie toe te kennen aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2013, omdat belanghebbende vooringenomen is behandeld en UHT het aannemelijk acht dat zij in aanmerking kwam voor KOT. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt dienovereenkomstig gegrond te verklaren en dit in de beslissing op bezwaar aan te passen.
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt dat zij ook voor het toeslagjaar 2014 dient te worden gecompenseerd. Zij voert aan dat de automatische continuatie van de KOT over dit jaar onzorgvuldig is. Zij stelt dat zij in 2014 recht had op KOT, maar dat zij geen uitvraagbrieven heeft ontvangen om dit aan te kunnen tonen. Zij meent dat de verzendadministratie dient te worden overgelegd om dit aan te kunnen tonen.
De Commissie overweegt dat het automatische continueren van de KOT inherent is aan het toeslagensysteem. Op grond van artikel 15 lid 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende jaren. Een aanvraag van de KOT wordt dus geacht ook te zijn gedaan voor de daaropvolgende toeslagjaren en wordt daarmee automatisch gecontinueerd, tenzij de KOT door belanghebbende of B/T wordt stopgezet of gewijzigd. Naar het oordeel van de Commissie heeft B/T met het automatisch continueren van de KOT op een juiste wijze uitvoer gegeven aan de wet.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De KOT over het toeslagjaar 2014 is verlaagd, omdat B/T de KOT heeft stopgezet nadat belanghebbende niet had gereageerd op de verzoeken om informatie.
Ten aanzien van de stelling van belanghebbende omtrent het overleggen van een deugdelijke verzendadministratie overweegt de Commissie het volgende.
Het ontbreken van uitvraagbrieven in de systemen van B/T kan onder omstandigheden een aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren. De Commissie merkt echter op dat in dit geval uit het dossier volgt dat uitvraagbrieven in de systemen van B/T aanwezig zijn. Naar overtuiging van de Commissie mag er dan in beginsel van uit worden gegaan dat B/T wijzigingen doorvoerde nadat zij (in ieder geval in de veronderstelling verkeerde dat zij) voldoende had uitgevraagd. Aan de vraag of UHT aannemelijk kan maken dat de uitvraagbrieven toentertijd door B/T zijn verzonden en door belanghebbende zijn ontvangen, komt dan in dit geval geen doorslaggevende betekenis toe. De Commissie is daarom van oordeel dat belanghebbende destijds voldoende door B/T in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aan te tonen.
De bijstelling over het toeslagjaar 2014 is conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om
ten aanzien van belanghebbende hierover anders te oordelen en constateert dat de bij de wettelijke regeling van de KOT behorende rechtsbescherming benut is.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Berekening compensatie
Belanghebbende stelt dat de toegekende compensatie onjuist is berekend. Het is onduidelijk waarop het bedrag van € 1.043 voor de grondslag van de O/GS-tegemoetkoming voor het toeslagjaar 2014 is gebaseerd. Daarnaast is het volgens belanghebbende onduidelijk of de vergoeding voor immateriële schade, de rentevergoeding over gemiste KOT en de aanvullende vergoeding van 1% op juiste wijze zijn berekend. UHT stelt dat is uitgegaan van de grondslag van € 1.043, omdat dit het bedrag is waarover belanghebbende geen persoonlijke betalingsregeling heeft gekregen. De overige vergoedingen worden pas bij de berekening van de compensatie voor het toeslagjaar 2013 in de beslissing op bezwaar vastgesteld.
De Commissie is van oordeel dat UHT de O/GS-tegemoetkoming voor het toeslagjaar 2014 op juiste wijze heeft berekend en toegelicht tijdens de zitting.
De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en bijwonen hoorzitting).
Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en:
- alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2013;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter