BAC 2025-15302
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 17 november 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: niet van toepassing
Overdracht advies aan UHT: 11 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2005 en 2008 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2015. In overleg met belanghebbende ziet de herbeoordeling op alle jaren waarvoor KOT is ontvangen, te weten de toeslagjaren 2005 en 2008 tot en met 2012.
- Op 17 mei 2022 heeft UHT aangegeven dat belanghebbende op basis van de eerste lichte toets geen reden ziet voor het uitbetalen van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- Op 6 september 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) geoordeeld dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2005 en 2008 tot en met 2012.
- Op 19 september 2023 heeft UHT als vooraankondiging aangegeven dat belanghebbende geen recht heeft op de herstelregelingen.
- Bij beschikking van 17 november 2023 heeft UHT besloten dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2005 en 2008 tot en met 2012.
- Op 28 december 2023 heeft gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.
- Op 21 januari 2025 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 22 september 2025 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 16 oktober 2025 heeft gemachtigde de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen. Gemachtigde en belanghebbende zullen niet verschijnen op de op 21 oktober 2025 geplande hoorzitting.
- Op 21 oktober 2025 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. Daarnaast zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.
Afgewezen toeslagjaren
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.
In het bestreden besluit, de schriftelijke beschouwing en het informatie- en beoordelingsformulier is voor alle toeslagjaren uitgebreid beschreven welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in KOT hebben plaatsgevonden. Het betreffen alle reguliere correcties die zijn gebaseerd op door belanghebbende dan wel de opvangorganisatie doorgegeven wijzigingen in het aantal opvanguren en tarieven en in de hoogte van het toetsingsinkomen.
Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het advies van de CvW en het standpunt van UHT met betrekking tot de afgewezen toeslagjaren onjuist te achten. De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van KOT voor de toeslagjaren 2005 en 2008 tot en met 2012 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. De voorschotten zijn door reguliere wijzigingen opnieuw berekend en in overeenstemming met de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie is verder van oordeel dat met het indienen van het schriftelijke verweer, de LIC-overzichten en de overige producties, het bestreden besluit ten aanzien van de afgewezen toeslagjaren voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie acht de bezwaren op dit punt ongegrond.
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.
Overschrijding termijn bij definitieve KOT-beschikking
Gemachtigde stelt dat sprake is van vooringenomen handelen, omdat de definitieve KOT-beschikkingen buiten de termijn van artikel 19 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) zijn genomen en dat belanghebbende daarom recht heeft op compensatie. De Commissie ziet in die omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten om tot vooringenomenheid te concluderen en deelt voorts de mening van UHT dat dit bezwaar buiten het bestek van de Wht valt. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Fraude Signalering Voorziening-lijst en discriminatie
Gemachtigde stelt dat de nadere onderbouwing voor de constatering dat belanghebbende niet op de Fraude Signalering Voorziening lijst (hierna: FSV-lijst) was opgenomen, ontbreekt. Voorts is bij de beoordeling van de schadevergoeding geen rekening gehouden met de gevolgen van discriminatie voor belanghebbende.
De Commissie overweegt dat de schriftelijke reactie vergezeld is gegaan van de stukken die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de bestreden beschikking. Deze op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft derhalve geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie tekent hierbij nog aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde ‘persoonlijk dossier’ evenals de stukken die ten grondslag liggen aan het vaststellen van het FSV-onderzoek, niet per definitie samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld.
Met betrekking tot de opname op de FSV-lijst merkt de Commissie op dat uit het informatie- en beoordelingsformulier (pagina 15 van het formulier, pagina 31 van de onderliggende stukken) blijkt dat belanghebbende niet op deze lijst heeft gestaan. De Commissie heeft geen aanwijzingen om hieraan te twijfelen.
De Commissie overweegt dat voor toekenning van compensatie wegens discriminatie, vooringenomenheid of onbillijke hardheid concreet moet worden aangetoond dat het bestuursorgaan onzorgvuldig heeft gehandeld of in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is opgetreden. Daarbij dient duidelijk te worden gemaakt dat dit handelen daadwerkelijk tot schade heeft geleid.
Het enkele bestaan van een risicoprofiel, een intern signaal of een intensievere controle vormt op zichzelf onvoldoende grond voor compensatie. Er moet sprake zijn van een rechtstreeks verband tussen het handelen van het bestuursorgaan en een nadelige beslissing of situatie voor belanghebbende.
In dit geval heeft belanghebbende weliswaar gesteld dat zij is gediscrimineerd, maar deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd met concrete informatie of stukken. De Commissie merkt op dat van degene die zich op deze gronden beroept mag worden verwacht dat dit standpunt deugdelijk wordt onderbouwd.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
O/GS-kwalificatie
Gemachtigde wenst een nadere toelichting op de constatering dat belanghebbende geen O/GS-kwalificatie had.
De Commissie acht het onvoldoende dat door UHT enkel wordt verwezen naar pagina 433 van het ouderdossier, waarin slechts de vaststelling van ‘geen O/GS’ te lezen is en niet hoe dit is vastgesteld. Als er nadere informatie hieromtrent intern beschikbaar is, dan is het begrijpelijk dat belanghebbende daar behoefte aan heeft. De Commissie adviseert daarom dat UHT in het besluit op bezwaar alsnog een duidelijke en begrijpelijke toelichting geeft over de wijze waarop de O/GS-vaststelling heeft plaatsgevonden met, voor zover van toepassing, een verwijzing naar de hieraan ten grondslag liggende stukken.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar ongegrond acht, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter