BAC 2025-15301
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 januari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 4 juni 2025 om 13:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 13 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 9 januari 2024. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2017, 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 april 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2017, 2018 en 2019.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 27 december 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij beschikking van 9 januari 2024 (“bestreden beschikking”) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2017, 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 4 januari 2024, ingekomen op diezelfde datum, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 6 januari 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 juli 2024 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
- Gemachtigde heeft bij brief van 30 mei 2025 de gronden van het bezwaarschrift nader aangevuld.
- UHT heeft hier op 3 juni 2025 in een aanvullende schriftelijke beschouwing op gereageerd.
- Op 4 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie overweegt dat belanghebbende op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzagerecht in haar dossier heeft en voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
UHT heeft gedurende deze procedure het ouderdossier overgelegd en bijbehorende producties. De Commissie gaat er daarom vanuit dat belanghebbende daarmee kan beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Afgewezen jaren
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2017, 2018 en 2019 af te wijzen. Belanghebbende meent dat zij recht heeft op compensatie, UHT heeft dat standpunt weersproken.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.
In toeslagjaar 2017 is de feitelijke gang van zaken als volgt geweest. Belanghebbende dient op 21 september 2017 een aanvraag voor KOT in met ingang van 12 september 2017. In het kader van de beoordeling van het verzoek van belanghebbende vraagt B/T op 16 oktober 2017 om informatie van belanghebbende. Daarbij is specifiek verzocht om facturen, bankafschriften, loonstroken en/of een bewijs van inschrijving bij een opleiding of bewijs van een re-integratietraject. De bewindvoerder van belanghebbende stuurt op 16 november 2017 de stukken toe. B/T reageert per brief van 23 december 2017 dat zij meer tijd nodig heeft voor de beoordeling. Als uitgangspunt geldt een beslistermijn voor B/T van 13 weken (artikel 16 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, hierna: “Awir”). Uitgaande van de aanvraag van 21 september 2017 verstreek de beslistermijn op 21 december 2017. De brief van 23 december 2017 is twee dagen na afloop van de termijn verzonden.
De Commissie ziet in deze handelwijze geen aanknopingspunten om te concluderen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld jegens belanghebbende. B/T mocht vragen om stukken opdat zij de aanvraag kon beoordelen. Van het breed opvragen van een groot aantal stukken is geen sprake geweest. B/T heeft bovendien in haar brief van 23 december 2017 aangegeven dat zij meer tijd nodig heeft om de aanvraag te kunnen beoordelen. Vervolgens is in de brief van 1 januari 2018 aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat zij recht heeft op KOT. Dat belanghebbende enige tijd heeft moeten wachten op de beslissing van B/T kan zij als vervelend hebben ervaren, maar uit de voorhanden zijnde stukken is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende hierdoor in problemen is geraakt omdat zij bijvoorbeeld de opvang noodgedwongen heeft moeten stopzetten.
In zoverre slaagt deze bezwaargrond niet.
Voor toeslagjaar 2018 geldt dat de neerwaartse bijstelling het gevolg is van een door belanghebbende zelf op 21 maart 2018 doorgegeven wijziging in opvanguren en opvangtarief met ingang van 1 juli 2018 (productie 2700001, pagina 501 ouderdossier). Dit betreft een reguliere wijziging.
Ten aanzien van toeslagjaar 2019 meent belanghebbende allereerst dat B/T door opnieuw om bewijsstukken ten aanzien van het doelgroeperschap van belanghebbende te vragen, terwijl belanghebbende die stukken in 2018 al had ingestuurd (bewijs van inschrijving waaruit blijkt dat zij een opleiding volgde), vooringenomen heeft gehandeld. Verder voert belanghebbende aan dat de stopzetting van de KOT door B/T in augustus 2019 vooringenomen is. Dat de bewindvoerder van belanghebbende niet op tijd heeft gereageerd op de uitvraag van B/T kan belanghebbende niet worden verweten.
Bovendien is de stopbrief aangemaakt op dezelfde dag dat de stukken alsnog zijn ingestuurd. UHT heeft dat standpunt gemotiveerd weersproken.
De Commissie overweegt hierover als volgt.
UHT heeft in haar aanvullende schriftelijke beschouwing en voorts ter zitting toegelicht dat en waarom geen sprake is van een brede uitvraag. B/T ontving van belanghebbende een kennisgeving van een opleiding. Belanghebbende was in 2018 gestart met een opleiding met een verwachte einddatum in 2020. Verder heeft UHT toegelicht dat B/T normaliter van DUO informatie krijgt als een ouder in enig jaar daadwerkelijk een opleiding volgt. Deze informatie ontbrak bij B/T ten aanzien het jaar 2019. Bij B/T was niet bekend of belanghebbende in 2019 daadwerkelijk een opleiding volgde. Dat is de reden dat B/T in 2019 bij belanghebbende (nogmaals) heeft gevraagd om informatie ten aanzien van de opleiding toe te sturen. De Commissie meent dat het (opnieuw) opvragen van bewijsstukken, waaruit blijkt dat belanghebbende in 2019 nog steeds een opleiding volgde, onder deze omstandigheden geen vooringenomen handelen is geweest. Immers, dat belanghebbende in 2018 is gestart met een opleiding betekent nog niet dat zij in 2019 nog steeds die opleiding volgde. Dit onderdeel van het bezwaar kan daarom niet slagen.
Ten aanzien van de stopzetting van de KOT in augustus 2019 blijkt uit de voorhanden zijnde gegevens het volgende. B/T heeft bij belanghebbende uitvraag gedaan, te weten bij brief van 15 mei 2019. Omdat daarop geen reactie kwam is een rappelbrief verzonden (brief van 26 juni 2019). Belanghebbende heeft op die laatste brief gereageerd bij brief van 19 augustus 2019 en enkele stukken ingestuurd. Die bleken niet de door B/T gevraagde informatie te bevatten. Vervolgens heeft B/T de KOT op nihil gesteld (beschikking van 24 augustus 2019, de “stopbrief”). Belanghebbende heeft vervolgens verzocht om herziening van laatstgenoemde beschikking. Zij heeft met het door haar ingevulde en ondertekende antwoordformulier van 26 september 2019 alsnog de door B/T gevraagde informatie omtrent het doelgroeperschap aangeleverd. Het herzieningsverzoek is toen gehonoreerd, waarna B/T de KOT over het jaar 2019 opnieuw heeft vastgesteld (beschikking van 28 december 2019).
UHT heeft in haar aanvullende schriftelijke beschouwing en voorts ter zitting toegelicht dat de “stopbrief” weliswaar is gedateerd 24 augustus 2019, maar dat de werkelijke datum waarop de brief is aangemaakt 17 augustus 2019 is. B/T verstuurt brieven namelijk altijd met een datum die een week in de toekomst ligt. Alhoewel de door de bewindvoerder ingestuurde stukken op 19 augustus 2019 zijn ontvangen, is de stopbrief dus al twee dagen daaraan voorafgaand verstuurd.
Voor belanghebbende was toen de uiterste reactietermijn, 12 juli 2019, al ruim verstreken. De stukken werden dus hoe dan ook door belanghebbende te laat aangeleverd. Bovendien waren het niet de juiste stukken. Gevraagd was om stukken ten aanzien van het doelgroeperschap terwijl de ingezonden stukken facturen betroffen. Nadat later de juiste stukken door B/T waren ontvangen is een en ander gecorrigeerd en is aan belanghebbende alsnog KOT toegekend. Deze handelwijze is niet vooringenomen aldus UHT. De Commissie overweegt dat de KOT over 2019, zoals hiervoor uiteengezet, pas nadat twee keer uitvraag is gedaan neerwaarts is bijgesteld.
De Commissie meent dat in de hiervoor geschetste gang van zaken B/T niet vooringenomen heeft gehandeld, ook niet door na ontvangst van de reactie van
19 augustus 2019, waarin de gevraagde informatie ontbrak, de KOT toch zonder verdere navraag op nihil te blijven stellen tot het tijdstip waarop de KOT alsnog werd toegekend.
De conclusie van de Commissie luidt dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel.
Toeslagjaren 2013 en 2014 niet herbeoordeeld
De Commissie stelt vast dat over de toeslagjaren 2013 en 2014 geen herbeoordeling plaats heeft gevonden. Volgens belanghebbende had dat wel moeten gebeuren nu uit het dossier blijkt dat in die jaren eveneens opvang is afgenomen.
De Commissie stelt vast dat UHT in haar aanvullende schriftelijke beschouwing alsmede ter gelegenheid van de hoorzitting heeft aangegeven dat alsnog te zullen herbeoordelen en daarover een besluit te zullen nemen. In zoverre is aan dit onderdeel van het bezwaar van belanghebbende reeds tegemoet gekomen en kan dit in deze procedure buiten beschouwing blijven.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren ongegrond worden verklaard is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter