Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15299

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 13 december 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting:26 juni 2025

Overdracht advies aan UHT: 4 augustus 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH deels te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 13.092 over toeslagjaar 2008.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 29 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over toeslagjaar 2008. In overleg met belanghebbende is dit verzoek uitgebreid met de toeslagjaren 2006 en 2007.
  • UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2021, met kenmerk UHT-B DMB2, aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 (Catshuisregeling), maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 8 november 2023, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van €13.040.
  • UHT heeft bij beschikking van 13 december 2023, met kenmerk UHT-DCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 13.092 wegens hardheid over toeslagjaar 2008. Dit bedrag is aangevuld tot €30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 december 2023 bezwaar ingediend tegen de beschikking van 13 december 2023 met kenmerk UHT-DCH.
  • UHT heeft op 13 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 26 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft op 27 juni 2025 een aanvullende reactie ingediend met een aanvullend stuk. UHT heeft bij e-mail van 2 juli 2025 de Commissie bericht dat zij niet verder wenst te reageren.
  • UHT heeft op verzoek van de Commissie op 17 juli 2025 een aanvullende beschouwing ingediend.
  • UHT heeft op 29 juli 2025 een nieuwe aanvullende reactie ingediend. In deze reactie wordt afgeweken van het standpunt in de aanvullende beschouwing van 17 juli 2025. Na navraag heeft UHT de Commissie en gemachtigde geïnformeerd dat UHT het standpunt uit de aanvullende beschouwing van 17 juli 2025 handhaaft en dat de reactie van 29 juli 2025 berust op een misverstand.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Motivering besluit
Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe UHT tot de afwijzing van compensatie over de toeslagjaren 2006 en 2007 en het compensatiebedrag van € 13.092 is gekomen. Voor zover sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces en ontbrekende stukken
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van ‘equality of arms’, zoals opgenomen in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over zijn volledige dossier en verzoekt specifiek om de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC), de tijdlijn, het informatie- en beoordelingsformulier en de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op
25 februari 2025 en zij heeft de gelegenheid gekregen om haar standpunt verder uiteen te zetten. Het bezwaardossier bevat de specifiek door belanghebbende verzochte stukken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Automatische continuering
Belanghebbende stelt dat de wijze waarop de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) om is gegaan met de automatische continuatie van de KOT onzorgvuldig was. Zij stelt daarbij dat onvoldoende waarborgen in het systeem zijn ingebouwd, waardoor betalingsproblemen hebben kunnen ontstaan bij terugvorderingen over eerdere toeslagjaren. Dit was het geval bij belanghebbende over het toeslagjaar 2008. Volgens belanghebbende had van B/T verwacht mogen worden dat de KOT alleen automatisch verlengd wordt als daarvoor aanwijzingen zijn in de KOI-viewer en dat deze gegevens, samen met de andere gegevens die B/T onder zich heeft, als basis dienen voor de berekening van het voorschot.

De Commissie overweegt dat het automatische continueren van de KOT inherent is aan het toeslagensysteem. Op grond van artikel 15 lid 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende jaren. Een aanvraag van de KOT wordt dus geacht ook te zijn gedaan voor de daaropvolgende toeslagjaren en wordt daarmee automatisch gecontinueerd, tenzij de KOT door belanghebbende of B/T wordt stopgezet of gewijzigd. Naar het oordeel van de Commissie heeft B/T met het automatisch continueren van de KOT op een juiste wijze uitvoering gegeven aan de wet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2007
Belanghebbende stelt dat UHT ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat over toeslagjaar 2007 geen terugvordering van meer dan € 1.500 heeft plaatsgevonden. Zij wijst erop dat bij de eerste voorschotbeschikking een bedrag van € 8.520 aan KOT werd toegekend. Deze KOT werd uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling. Volgens belanghebbende heeft opvang plaatsgevonden in de periode van april tot en met september 2007, wat € 5.335,20 aan opvangkosten met zich meebracht. De activiteiten van kinderopvang Balou zijn per 1 oktober 2007 gestaakt. Daarnaast heeft de kinderopvanginstelling een bedrag van € 710 aan B/T terugbetaald. Belanghebbende berekent dat een bedrag van € 8.520 - € 5.335,20 - € 710 is teruggevorderd. Dit komt neer op € 2.474,80. Deze berekening leidt belanghebbende tot de conclusie dat over toeslagjaar 2007 recht bestaat op compensatie op grond van hardheid.

De Commissie overweegt hierover als volgt. Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT - een bijzondere omstandigheid opleveren die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste €1.500 is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste €1.500 te veel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.

De Commissie volgt UHT in het standpunt dat in dit geval, gegeven deze praktijk, geen aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. UHT heeft de berekening voor toeslagjaar 2007 ter zitting nader toegelicht. Voor dit toeslagjaar is aannemelijk geworden dat het bedrag dat te veel is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling en niet aan belanghebbende ten goede kwam, lager was dan €1.500. Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de hiervoor beschreven eisen van UHT voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel.

De Commissie heeft in de stukken en in het verhandelde ter zitting geen aanleiding kunnen vinden voor de opvatting dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. Het door belanghebbende op dit punt ingediende bezwaar treft dan ook geen doel.

Hoogte van de KOT voor de onterechte neerwaartse bijstelling over toeslagjaar 2008 Belanghebbende stelt dat ten onrechte een bedrag van € 4.364 is opgenomen onder component a in de compensatieberekening over toeslagjaar 2008. Zij licht toe dat kinderopvang Balou haar activiteiten per 1 oktober 2007 heeft gestaakt en dat dus ten onrechte KOT is uitbetaald over toeslagjaar 2008. Volgens belanghebbende zou component a hierdoor moeten worden vastgesteld op
€ 6.748,61.

UHT is in haar aanvullende beschouwing tot de conclusie gekomen dat component a over toeslagjaar 2008 onjuist en in het nadeel van belanghebbende is vastgesteld. Volgens UHT moet component a op basis van het SAS-overzicht worden vastgesteld op een bedrag van € 8.522. Dit is de hoogte van de KOT over toeslagjaar 2008 die bij voorschotbeschikking van 4 december 2007 is vastgesteld. Het hogere bedrag van component a heeft volgens UHT gevolgen voor de componenten die daarmee samenhangen. Dit zijn de componenten c, e en h. UHT is voornemens de componenten a, c, e en h in het voordeel van belanghebbende te wijzigen.

De Commissie komt tot de conclusie dat component a over toeslagjaar 2008 onjuist is vastgesteld en neemt met instemming kennis van het voornemen van UHT om de eerder genoemde componenten te wijzigen in het voordeel van belanghebbende. De Commissie adviseert UHT om de componenten a, c, e en h te wijzigen zoals voorgesteld in de bijlage compensatieberekening en het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.

Toeslagrente
Belanghebbende stelt dat de bedragen onder component d (in rekening gebrachte toeslagrente) voor het gecompenseerde toeslagjaar op nihil is gesteld, terwijl zij onder component i (invorderingskosten en -rente) wel rente en kosten heeft betaald. UHT heeft toegelicht dat onder component d € 0 in rekening is gebracht en baseert zich op de het SAS- en LIC-overzicht betreffende toeslagjaar 2008. Onder component i is € 854 in rekening gebracht. Dit zijn de kosten en rente die belanghebbende moest betalen in het kader van de invordering van de KOT over dat toeslagjaar. Naar het oordeel van de Commissie zijn deze componenten op de juiste wijze berekend en heeft UHT de vaststelling van deze componenten voldoende toegelicht. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende stelt dat zij niet kan controleren of de juiste startdatum is gehanteerd bij het berekenen van de vergoeding voor immateriële schade. UHT heeft toegelicht dat de start- en einddatum voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade onjuist, maar in het voordeel van belanghebbende zijn. UHT licht verder toe dat de vergoeding voor immateriële schade is gemaximeerd op de hoogte van component e. Nu deze component op € 8.522 wordt vastgesteld en het bezwaar op dit punt gegrond wordt geacht, zal UHT de vergoeding voor immateriële schade maximeren op de nieuwe hoogte van component e.

De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT en adviseert om de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade te maximeren op de nieuwe hoogte van component e. Daarnaast adviseert de Commissie om de einddatum voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade vast te stellen op de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.

Rentevergoeding over gemiste KOT
Belanghebbende stelt dat zij niet kan controleren of de juiste startdatum is gehanteerd bij het berekenen van de rentevergoeding over gemiste KOT. Ook is de hoogte van deze component niet na te gaan zonder toelichting. UHT heeft toegelicht dat de start- en einddatum voor de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT onjuist, maar in het voordeel van belanghebbende zijn. UHT heeft daarnaast de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT aan het dossier toegevoegd en is voornemens de berekening van deze component in stand te laten.

De Commissie kan het standpunt van UHT volgen voor wat betreft de onjuiste start- en einddatum en het voordeel van belanghebbende. De Commissie wijst erop dat de grondslag van de compensatieberekening wordt gewijzigd, nu UHT tot de conclusie is gekomen dat component a onjuist is vastgesteld. In dat geval dient de einddatum voor de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT vastgesteld te worden op de dagtekening van de beslissing op bezwaar.
De Commissie adviseert UHT om de einddatum voor de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT vast te stellen op de dagtekening van beslissing op bezwaar en het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.

Aanvullende vergoeding van 1%
Nu het bezwaar gedeeltelijk gegrond wordt geacht en de compensatieberekening zal worden aangepast, adviseert de Commissie UHT om de aanvullende vergoeding opnieuw te berekenen bij het nemen van de beslissing op bezwaar.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is en het bestreden besluit dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DCH toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar, gericht tegen de beschikking van 13 december 2023, met kenmerk UHT-DCH, gegrond te verklaren in die zin dat:
  • De hoogte van component a over toeslagjaar 2008 wordt vastgesteld op € 8.522;
  • De met component a samenhangende componenten worden aangepast in het voordeel van belanghebbende;
  • De einddatum voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt vastgesteld op de dagtekening van de beslissing op bezwaar en dat de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade wordt gemaximeerd op € 8.522;
  • De einddatum voor de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT wordt vastgesteld op de dagtekening van de beslissing op bezwaar;
  • De aanvullende vergoeding van 1% wordt aangepast.
  • De overige bezwaren ongegrond te verklaren.
  • Een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter